|
|
 |
 |
| Inhoud |
|
"Deze nieuwsbrief bevat de samenvattingen van de lezingen van de studiedag "Water en sediment" dd. 16 november 2006. In de volgende nieuwsbrieven zullen de samenvattingen van de andere studiedagen van het congres Watersysteemkennis verschijnen. Van zodra de volledige artikels beschikbaar zijn, worden deze op de website geplaatst."
Klik hier
voor een overzicht van de beschikbaarheid van de volledige
artikels. |
- Voorwoord
Studiedag 'Water en Sediment'
Ward De Cooman
VMM
- Begroten van het effect van erosiebestrijdingsmaatregelen op de afvoer van sediment en water uit landelijke stroomgebiedjes in Gingelom en Sint-Truiden
K. Vandaele(1), O. Evrard(2), M. Swerts(3), J. Lammens(1), P. Priemen(1), B. van Wesemael(2) en M. De Vrieze(3)
(1) Watering van Sint-Truiden
(2) Université Catholique de Louvain, Departement Geografie
(3) Vlaamse Overheid, Dienst Land en Bodembescherming
- Sedimenttransporten meten in onbevaarbare waterlopen in Vlaanderen
T. Van Hoestenberghe
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
- Sedimenttransport in waterlopen, met aandacht voor case Kleine Nete
F. Mostaert, J. De Schutter, E. Vanlierde, T. De Mulder en J. Vanlede
Waterbouwkundig Laboratorium
- Sedimentbalansen in rivieren
R. Verhoeven en R. Banasiak
Universiteit Gent, Laboratorium voor Hydraulica, Vakgroep Civiele Techniek
- Water en sediment in het estuarium van de Schelde
M. Chen, S. Wartel en F. De Smedt
Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Hydrologie en Waterbouwkunde
- Sediment in schorren en overstromingsgebieden
S. Temmerman(1), J. De Schutter(2), K. Nevelsteen(3) en G. Govers(3)
(1) Universiteit Antwerpen, Departement Biologie
(2) Waterbouwkundig Laboratorium
(3) Katholieke Universiteit Leuven, Onderzoeksgroep Fysische en Regionale Geografie
- Ruiming van onbevaarbare waterlopen
N. Dezillie
Vlaamse Miliemaatschappij, afdeling Water
- Baggerproblematiek en beheer in Bovenschelde
Case studie Monostortplaats voor baggerspecie te Sint Joris Beernem
V. De Vlieger, E. Serbruyns
Waterwegen en Zeekanaal, Afdeling Bovenschelde
- Sediment en benthische ecologie van intergetijdengebieden
D. van der Wal, T. Ysebaert, P. M.J. Herman
Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW)
- Waterbodem- en palingpolluentenmeetnet: een tandem voor de waterbodemsanering
C. Belpaire(1), W. De Cooman(2), G. Goemans(1), T. Onkelinx(1) en P. Quataert(1)
(1) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
(2) Vlaams Milieumaatschappij, Buitendienst Aalst
- Sediment als biobarrière voor grondwater verontreinigd met gechloreerde alifatische koolwaterstoffen
K. Hamonts(1,2), M. Maesen(1), A. Ryngaert(1), J. Bronders(1), D. Springael(2) en W. Dejonghe(1)
(1) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), Afdeling Milieu- en Procestechnologie
(2) Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen, Afdeling Bodem- en Waterbeheer
- Rol van sediment in de hydromorfologie - case study Dijle
G. Van Hoydonck(1) en P. De Becker(2)
(1) Haskoning België
(2) Instituut voor Natuur-, en Bosonderzoek (INBO)
- Een nieuwe benadering voor het beheren van de morfologie en de ecologie van de Westerschelde
S. Ides(1), Y. Plancke(1), T. De Mulder(1), F. Mostaert(1), J.J. Peters(2)
(1) Waterbouwkundig Laboratorium
(2) Port of Antwerp Expert Team
- Meten en karakteriseren van slibafzetting in een wachtbekken
T. Van Hoestenberghe
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
- Authigeen sediment: een belangrijke bijdrage tot de totale sedimentlading van de Kleine Nete
E. Vanlierde(1), J. De Schutter(2), P. Jacobs(1) en F. Mostaert(2)
(1) Vakgroep Geologie en Bodemkunde, Onderzoekseenheid: Sedimentaire Geologie en Ingenieursgeologie
(2) Waterbouwkundig Laboratorium
- Analyse van relaties tussen sedimentkarakteristieken en
macro-invertebratengemeenschappen a.d.h.v. data mining technieken
P. Goethals(1), A. Dedecker(1), W. Gabriels(1, 2), W. De Cooman(2) en N. De Pauw(1)
(1) Universiteit Gent, Vakgroep Toegepaste Ecologie en Milieubiologie
(2) Vlaamse Milieumaatschappij, Buitendienst Aalst
- MODELKEY: "Modellen voor het beoordelen en voorspellen van de effecten door 'sleuteltoxicanten' op het zoetwater- en mariene milieu en de biodiversiteit"
E. De Deckere(1), C. Van Liefferinge(1), V. Leloup(1), C. Schmitt(1), W. Brack(2) en P. Meire(1)
(1) Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
(2) Leipzig-Halle, Centre for Environmental Research
- Het bepalen van erosiegevoeligheid van verontreinigde sedimenten in functie van risico-analyse
E. De Deckere(1), B. Westrich(2), Th. Jancke(2), K. Bal(1), C. Van Liefferinge(1) en P. Meire(1)
(1) Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
(2) University of Stuttgart, Institute of Hydraulic Engineering
- Het effect van overstroming op de beschikbaarheid van zware metalen in een zoetwaterschor
J. Teuchies, E. de Deckere en P. Meire
Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
- Ontwikkeling van ecologisch en ecotoxicologisch onderbouwde kwaliteitsdoelstellingen voor waterbodems
V. Leloup, P. Meire en E. De Deckere
Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
|
|
|
|
 |
Voorwoord
Studiedag 'Water en Sediment' |
|
| |
Ward De Cooman
VMM |
|
AWaterlopen transporteren van nature sediment. Dat sediment zorgt er onder meer voor dat belangrijke biotopen, zoals slikken en schorren opgebouwd en in stand gehouden worden. Maar menselijke ingrepen hebben er voor gezorgd dat de sedimentlast van veel waterlopen in Vlaanden nu vele malen hoger is dan een natuurlijke achtergrondwaarde. Bovendien is het sediment dikwijls beladen met allerhande andere stoffen die niet in waterlopen thuishoren, zoals nutriënten, metalen en residu's van fytosanitaire producten. Een overmatige sedimentlast doet de waterkwaliteit dus verminderen. Verder maakt een overmatige sedimentlast kostelijk baggeren noodzakelijk om een goede waterafvoer te garanderen en het overstromingsrisico te beperken.
Bij het beheer van watersystemen dient het sedimentprobleem dus expliciet in beschouwing genomen te worden. Voor een degelijk beheer is het belangrijk dat men weet welke de belangrijke bronnen van sediment zijn, wat de kwaliteit van het sediment is dat in de waterlopen terecht komt en hoe dat sediment zich in de waterloop gedraagt. Beheer hangt ook af van normen en de efficiëntie van beheersmaatregelen: daarom moeten ook vragen over wat een aanvaardbare sedimentlast is en het relatieve nut van verschillende mogelijke beheersmaatregelen beantwoord worden.
Tijdens deze studiedag werd een overzicht gegeven van de in Vlaanderen beschikbare kennis i.v.m. dit beheer van waterbodems in onze waterlopen. Effecten van erosie en erosiebestrijdingsmiddelen op het aquatisch ecosysteem werden toegelicht. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de reductie van piekafvoeren en landafvoer van sediment via verschillende middelen mogelijk is. Modellen om de impact van maatregelen te begroten zijn nu operationeel, al blijft er een belangrijke ruimte voor verbetering, vooral met betrekking tot het voorspellen van de sedimentkwaliteit. Anderzijds is het meten, karakteriseren en opvolgen van sedimenttransport in de waterlopen zelf een cruciaal element om de kwantiteit en het transport in de waterloop beter te begrijpen. In dit domein is er nog heel wat onderzoek noodzakelijk: er zijn weinig of geen gegevens m.b.t. verblijftijden van sediment en/of de evolutie van de sedimentkwaliteit door tijd en ruimte. Nochtans is de beweging en de afzetting van sediment, met eventueel opslibbing in estuariene gebieden als gevolg, van zwevende stoffen in een watersysteem zijn belangrijk omdat ze in aanzienlijke mate de onderhoudswerken op nadelige wijze beïnvloeden, maar ook bijdragen tot de instandhouding van het milieu.
Verder wordt heel wat studiewerk geleverd op gebied van het ontwikkelen van normen voor waterbodems om de kwaliteit, naast de kwantiteit van waterbodems in kaart te brengen. Het verder afstemmen van verschillende meetnetten is een must om beter zicht te krijgen op de verschillende karakteristieken van de waterloop en zijn bodem. De Kaderrichtlijn Water tracht hier vorm aan te geven. Hierbij wordt bv. gedacht aan bioaccumulatie of de hydromorfologishe kernmerken van een waterloop die een duidelijke rol spelen in het sedimentatieproces van al dan niet verontreinigde zwevende stoffen. Waterbodems zouden zelfs kunnen optreden als biobarière voor het grondwater en het oppervlaktewater: ook hier is echter verder onderzoek nodig om dit potentieel goed te begrijpen en in kaart te brengen, bv. m.b.t. de mobiliteit van zware metalen in en rond de waterbodem.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Begroten van het effect van erosiebestrijdingsmaatregelen op de afvoer van sediment en water uit landelijke stroomgebiedjes in Gingelom en Sint-Truiden |
|
| |
K. Vandaele(1), O. Evrard(2), M. Swerts(3), J. Lammens(1), P. Priemen(1), B. van Wesemael(2) en M. De Vrieze(3)
(1) Watering van Sint-Truiden
(2) Université Catholique de Louvain, Departement Geografie
(3) Vlaamse Overheid, Dienst Land en Bodembescherming |
|
De voorbije jaren
heeft de Vlaamse overheid een aantal instrumenten ontwikkeld,
specifiek voor de aanpak van bodemerosie en de eventueel daarmee
gepaard gaande water- en modderoverlast. Via deze instrumenten
kunnen gemeenten en/of landbouwers subsidies ontvangen voor het
uitvoeren van klein-schalige erosiebeperkende of –bestrijdende
maatregelen. Deze ingrepen moeten de schade voor de landbouwers,
de water- en modderellende in de stroomafwaarts gelegen woonkernen,
de verontreiniging van oppervlaktewater en de afzetting van groter
hoeveelheden specie in de waterlopen beperken, of indien mogelijk,
verhinderen.
De kennis met betrekking tot het effect van deze maatregelen op
de afvoer van water en sediment in kleine landelijke stroomgebieden
is in Vlaanderen zeer beperkt. Bovendien leveren diverse berekeningsmethoden
en computersimulaties sterk uiteenlopende resultaten. Nochtans
zijn accurate gegevens m.b.t. de efficientie & effectiviteit
van erosiebeperkende en –bestrijdende maatregelen op schaal
van een landelijk stroomgebied noodzakelijk om tot een verantwoorde
keuze van de meest performante maatregelen voor het beperken of
verhinderen van bodemerosie en de stroomafwaartse gevolgen ervan
te komen.
Op het grondgebied van Gingelom en Sint-Truiden zijn sinds 2002
talrijke kleinschalige maatregelen uitgevoerd om de bodemerosie
en de daarmee gepaarde gaande water- en modderoverlast te beperken.
Dit gebied vormt dan ook het ideaal ‘proefterrein’
voor het meten van het effect van deze maatregelen. In samenwerking
met de dienst Land en Bodembescherming van de Vlaamse overheid
en het departement Geografie van de UCL, is de Watering van Sint-Truiden
in 2002 gestart met een monitoringsprogramma voor het begroten
van het effect van de uitgevoerde maatregelen op de sedimentuitvoer
en wateruitvoer uit landelijke stroomgebieden. Dit gebeurt a.d.h.v.
van terreinwaarnemingen (kwalitatieve beoordeling) en terreinmetingen
(kwantitatieve beoordeling). Sedert april 2006 is er een sediment-
en waterafvoermeetinstallatie operationeel in een stroomgebiedje
van 300 ha. Op basis van de meetgegevens worden water- en sedimentbalansen
opgemaakt voor het betreffende stroomgebied, en dit voor individuele
evenementen. Bovendien laten de gegevens toe om het effect van
de aanwezige erosiebeperkende of –bestrijdende maatregelen
in het stroomgebiedje te begroten. Finaal worden de meetgegevens
gebruikt voor de calibratie en validatie van bestaande afstromingsmodellen.
In de presentatie worden de resultaten van het monitoringsprogramma
voorgesteld.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Sedimenttransporten meten in onbevaarbare waterlopen in Vlaanderen |
|
| |
T. Van Hoestenberghe
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
|
|
Het sedimentmeetnet
van de afdeling Water (VMM) beschikt over 6 meetstations in het
hellend gebied van zuidelijk Oost-Vlaanderen die continu de sedimentvracht
van het stroomgebied bemeten. Sinds 2003 zijn elke 15 minuten
meetwaarden beschikbaar van het sedimentdebiet in de waterloop
die het stroomgebied draineert. De stroomgebiedsoppervlakten variëren
tussen ca. 200 en 5000 ha, vier meetstations zijn gesitueerd in
het stroomgebied van de Maarkebeek. Een turbiditeitsensor in combinatie
met automatische staalnames meet de sedimentconcentratie in de
waterloop. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende types optische
turbiditeitsensoren, afhankelijk van de maximum sedimentconcentratie
die in de waterloop voorkomt. De calibratie van de turbiditeitsensoren
steunt op minstens 84 ijkingskoppels 'staalconcentratie-turbiditeit',
de R² van de curves bedraagt minimaal 0.79, de RMSE maximaal 3.7
g/l. Voor sommige stations dienen voor 1 turbiditeitsensor verschillende
calibratiecurves te worden gebruikt naargelang het seizoen. De
maximum bemeten sedimentconcentratie is in elk station groter
dan 25 g/l, in verschillende stations is dit meer dan 100 g/l.
Uit de sedimentconcentraties bekomen met de turbiditeitsensor,
desgevallend gecorrigeerd met behulp van individuele staalconcentraties,
werden voor de periode 2003-2006 (tem augustus) de 'best beschikbare'
jaarlijkse sedimenttransporten per stroomgebiedsoppervlakte begroot.
De jaargemiddelden voor de volledige meetperiode variëren van
1.5 tot 5.3 ton/ha, afhankelijk van het stroomgebied (figuur).
Goede correlaties tussen sedimenttransporten en eenvoudige stroomgebieds-
en hydrogramkenmerken zoals stroomgebiedsgrootte en debiet werden
niet gevonden. Lente- of zomeronweders blijken zeer sedimentproductief:
zo gebeurde 42% tot 70% van het jaarlijks sedimenttransport van
2005 tijdens 2 dergelijke onweders.
Voor de laatste 2 jaar is nagegaan wat de mogelijke fout is indien
men enkel de turbiditeitsensor, gecalibreerd met alle beschikbare
ijkingspunten, gebruikt ter begroting van het jaarlijks sedimenttransport.
Voor 5 van de 6 stations bedraagt de gemiddelde afwijking op de
'best beschikbare' sedimenttransporten 3 tot 26%, met een gemiddelde
over de 5 stations van 13%. Hieruit kan besloten worden dat, mits
de calibratie van een geschikte turbiditeitsensor gesteund is
op voldoende ijkingspunten, dergelijke sensoren met succes ingezet
kunnen worden bij sedimenttransportmetingen in kleinere waterlopen
in Vlaanderen. Staalnames zullen voor de 5 stations binnen afzienbare
tijd overbodig zijn. Voor 1 station verloopt de ijking van de
turbiditeitsensor moeizamer en zullen staalnames nog langere tijd
noodzakelijk blijven.
In 2005 is het sedimentmeetnet uitgebreid met een tiental sedimentstations
in het zuidoostelijk Demerbekken, met stroomgebiedsgroottes van
170 tot ruim 10 000 ha. De beperkte meetperiode en het ontbreken
van hoogwaterevents laten nog geen uitspraken toe. Eens ook voor
deze stations langere tijdreeksen beschikbaar zijn, zal vooral
de vergelijking tussen sedimenttransporten voor verschillende
hydrologische regio's binnen Vlaanderen interessante informatie
opleveren.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Sedimenttransport in waterlopen, met aandacht voor case Kleine Nete |
|
| |
F. Mostaert, J. De Schutter, E. Vanlierde, T. De Mulder en J. Vanlede
Waterbouwkundig Laboratorium
|
|
Het Waterbouwkundig
Laboratorium van het MOW onderzoekt met partners uit de Vlaamse
overheid, de universiteiten en de studiebureaus het sedimenttransport
en de sedimentatie in de rivieren en kanalen, inclusief het getijdengebied.
Onder meer volgende wetenschappelijke en beleidsmatige vragen
stellen zich: hoeveel sediment bereikt het getijdengebied, wat
zijn de kenmerken (kwaliteit, korrelverdeling, fysische en chemische
kenmerken) van dit sediment en hoe variëren die parameters
onder verschillende meteorologische omstandigheden. Wat gebeurt
er met dit sediment in het getijdengebied. De hoeveelheid en kwaliteit
van het sedimenttransport bepalen in belangrijke mate de baggerkosten,
kan impact hebben op allerhande menselijke ingrepen en natuurlijke
processen in het getijdensysteem. Sedimentatie en erosie beïnvloeden
de maritieme toegang, dus de economie enerzijds, en tegelijk de
waterkwaliteit, dus de ecologie.
Het WL volgt meerdere sporen voor de oplossing van dit probleem.
Hydrologische parameters (debiet, waterstanden en watersnelheden),
en suspensie sedimenttransport worden gemeten om voldoende watersysteemkennis
op te bouwen om aldus numerieke hydrodynamische, sedimenttransport-
en morfologische modellen te kunnen ontwikkelen.
Het WL beschikt over integrale meetstations opwaarts van het getijdengebied.
Deze stations meten suspensietransport door akoestische methodes
en door geavanceerde staalname met verwerking in het labo. Het
meet ook door vereenvoudigde staalname op een 50 tal uitgekozen
plaatsen. In sedimentologisch laboratorium van het WL dat voor
alle partners open staat ondersteunt worden onder meer de concentratie
gravimetrisch bepaald en de deeltjesgrootte bestudeerd.
Daarnaast worden regelmatig 13 uurs meetcampagnes in het getijdengebied
uitgevoerd om voor een getijdencyculs de watersnelheid en de sedimentatieconcentratie
af te leiden met akoestische methodes. Bodemstalen worden eveneens
verzameld en geanalyseerd. Verder worden in specifieke zones geconcentreerde
hydrografische ontwikkelingen ontplooid, waarbij de veranderingen
van de morfologie en de bodemstructuren worden geanalyseerd om
sedimentatie en erosie in kaart te kunnen brengen en in relatie
te brengen met de hydrodynamische condities.
Veel problemen rond sedimenttransport kunnen pas verklaard worden
als men inzicht heeft in het oorsprongsgebied en de oorzaken die
het sediment in het watersysteem brengt. Hiertoe wordt in samenwerking
met de Universiteiten, de VMM en buitenlandse partners de zogenaamde
fingerprinting methode geïmplementeerd. De samenstelling
van de sedimenten is als het ware een vingerafdruk van het oorsprongsgebied
en gecombineerd met de meteorologische variaties en met de hierdoor
beïnvloede hydraulische condities kan de hoeveelheid en de
aard van het sediment dat op een bepaalde plaats wordt gemeten
verklaard worden.
Nog meer fundamenteel is de problematiek rond flocculatie, vroeger
vooral gelinkt aan zoet-zout overgang. Door onderzoek met de Universiteit
Gent is grote vooruitgang geboekt in het begrijpen van het aandeel
van flocs in zoetwater riviersystemen die gekenmerkt zijn door
kwel van ijzerrijk grondwater zoals de Nete en de Demer. Het WL
en de Universiteit ontwikkelden een numeriek voorspellingsmodel
dat het aandeel van ijzerhoudend sedimenttransport kan voorspellen.
|
|
|
 |
Sedimentbalansen in rivieren |
|
| |
R. Verhoeven en R. Banasiak
Universiteit Gent, Laboratorium voor Hydraulica, Vakgroep Civiele Techniek
|
|
De bovenstroomse
sedimentaanvoer in de estuaria van grote rivieren wordt grotendeels
bepaald door het transport van erosiemateriaal vanuit de opwaartse,
kleine en vaak steilere stroomgebieden.
In het kader van een studie rond deze problematiek is de sedimentdynamiek
en –balans van het stroomgebied van de Zwalm in kaart gebracht.
Tijdens intensieve meetcampagnes, voornamelijk gefocust op periodes
van hoge afvoer is het transport op de Zwalm en de belangrijkste
zijrivieren gemeten. Hieruit is een sedimentbalans afgeleid waaruit
duidelijk blijkt dat bepaalde kleinere deelstroomgebieden een
beduidend grotere bijdrage leveren dan het gemiddelde, dat er
slechts weinig correlatie bestaat tussen de vaste afvoer en het
debiet en dat de 10 % hoogste debieten verantwoordelijk zijn voor
90% van de totale sedimentlast. Het creëren van overstromingsvelden
waarop een groot deel van het aangevoerde sediment wordt afgezet,
in combinatie met een verstandig landgebruik en een milieubewust
oeverbeheer kan leiden tot een belangrijke reductie van de totale
sediment- en bijgevolg ook polluentenafvoer.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Water en sediment in het estuarium van de Schelde |
|
| |
M. Chen, S. Wartel en F. De Smedt
Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Hydrologie en Waterbouwkunde
|
|
Het estuarium
van de Schelde heeft tijdens de laatste decennia belangrijke veranderingen
ondergaan met betrekking tot de verbetering van de vaargeul en
de bescherming tegen overstromingen. Kwantificeren van de estuariene
energie toonde een significante stijging aan van het totale energieniveau
tijdens de laatste decennia. Deze stijging is vooral toe te schrijven
aan de stijging van het vloedvolume en aan veranderingen in de
morfologie. De verdeling van hoge en lage estuariene energieniveaus
heeft een onmiddellijk gevolg voor de positie van gebieden met
preferentiële opwoeling en sedimentatie. Hieruit blijkt ook
dat er in de Schelde meer dan één troebelheidsmaximum
voorkomt waar hoge concentraties aan zwevende stof het sedimentbudget
beïnvloeden. Onderzoek van het fluvio-mariene evenwicht van
zwevende stof en van bodemsedimenten geeft het mogelijk effect
aan van de verdieping van de vaargeul op het sedimenttransport
en -evenwicht. De sedimentaccumulatie in intertidale gebieden
(slikken en schorren) overtreft de gemiddelde zeespiegelstijging
maar is wel van dezelfde grootteorde als de stijging van het tijverschil.
Veldwaarnemingen en hydrologische analysen van sedimenteigenschappen
en sedimentbeweging tonen dan weer het effect aan van vlokvorming
en vlokontbinding op sedimentatie, erosie en opwoeling. Veranderingen
in ruimte en tijd van de vlokvorming zijn vooral in verband te
brengen met biogeochemische processen. De bevindingen van deze
studie tenslotte wijzen er op dat het sedimentgedrag op lokale
schaal het rechtstreeks gevolg is van grootschalige estuariene
processen die geregeld worden door een combinatie van uitwendige
krachten zoals tijactiviteit, morfologische veranderingen en onderhoudswerken
van de vaarroute.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Sediment in schorren en overstromingsgebieden |
|
| |
S. Temmerman(1), J. De Schutter(2), K. Nevelsteen(3) en G. Govers(3)
(1) Universiteit Antwerpen, Departement Biologie
(2) Waterbouwkundig Laboratorium
(3) Katholieke Universiteit Leuven, Onderzoeksgroep Fysische en Regionale Geografie |
|
Schorren overstromen
regelmatig door getijdenwerking, waarbij sedimenten worden geërodeerd
en afgezet. In Vlaanderen komen schorren voor langs het estuarium
van de Schelde (ca. 600 ha) en in beperktere omvang in de Ijzermonding
en langs de kust. Bovendien is het huidige beleid gericht op uitbreiding
van het schorareaal (orde 100-den tot 1000-den ha), hetzij door
ontpoldering hetzij door aanleg van gecontroleerde overstromingsgebieden
(GOGs) met gereduceerd getij (GGG).
Sedimentatie in schorren is vrij goed bestudeerd langs het Schelde-estuarium.
Veldmetingen toonden aan dat sedimentatiesnelheden sterk variëren
binnen een schorrengebied, op een kleine schaal van 10-tallen
meters, en dat die variaties zijn gerelateerd aan topografische
variabelen, nl. hoogteligging, afstand tot schorrengeulen en afstand
tot de schorrand. Met een stromingsmodel en sediment transport
model toonden we aan dat interacties tussen stroming en vegetatie
cruciaal zijn om erosie- en sedimentatiepatronen in schorren goed
te beschrijven en modelleren.
Op een grotere schaal van 10-tallen kilometers blijken variaties
in sedimentatiesnelheden vooral bepaald te zijn door de ouderdom
en hoogteligging van schorren, de snelheid waarmee het gemiddelde
hoogwaterpeil (GWH) langs de Schelde stijgt, en de gesuspendeerde
sedimentconcentratie (SSC) in het Scheldewater. Met veldgegevens
en modellering toonden we aan dat de opslibbing van schorren in
een delicaat evenwicht is met de snelheid van GHW stijging en
SSC. Bepaalde ingrepen die kunnen leiden tot een toename van GHW
stijging, zoals baggeren, en/of afname van SSC, zoals erosiebestrijdingsmaatregelen
in het Scheldebekken, kunnen leiden tot ‘verdrinking’
en dus verdwijnen van schorren langs de Schelde.
Door overstromingsgebieden (GOG-GGGs) aan te leggen langs de Schelde,
wil men enerzijds extra waterberging creëren, zodat de kans
op overstromingen in woongebieden (bv. Antwerpen) afneemt, en
anderzijds waardevolle estuariene habitats creëren. Beide
doelstellingen worden sterk beïnvloed door erosie- en sedimentatieprocessen.
Voorlopige modelresultaten suggereren dat overstromingsgebieden
relatief snel opslibben, zodat de waterberging afneemt, en dat
hoogteverschillen door sedimentatie verdwijnen, zodat de habitat
diversiteit afneemt. Dit geeft de noodzaak aan van een grondige
studie naar sedimentatie/erosie in overstromingsgebieden.
Tenslotte, de laterale erosie en aangroei van schorren en sedimentdynamiek
van schorrengeulen werd in Vlaamse schorren nog weinig bestudeerd.
Bv, de ontwikkeling van geulen in overstromingsgebieden is wellicht
bepalend voor de intensiteit waarmee water, sedimenten en nutriënten
worden uitgewisseld tussen overstromingsgebieden en het estuarium.
Dit verdient bijzondere aandacht in toekomstige onderzoeksprogramma’s.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Ruiming van onbevaarbare waterlopen |
|
| |
N. Dezillie
Vlaamse Miliemaatschappij, afdeling Water
|
|
Deze presentatie
belicht de aanpak van de afdeling Water bij de opmaak van het
programma, de voorbereiding en uitvoering van de ruimingswerken
op de onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie. Het ruimingsprogramma
wordt ingegeven door een hydraulische, ecologische of maatschappelijke
noodzaak. Na de planning worden de voorbereidende onderzoeken
aangevat. Deze voorbereiding heeft tot doel de te ruimen sedimenthoeveelheid
en –kwaliteit nauwgezet in kaart te brengen teneinde het
de aannemers mogelijk te maken een correcte prijs te geven voor
het ruimingswerk. Na aanbesteding en uitvoering van de werken
wordt geïllustreerd hoe de werken gecontroleerd en opgeleverd
worden. Tot slot wordt ingegaan op één van de recente
knelpunten die de afdeling Water ervaart als aanbestedende overheid
van ruimingswerken. Meer bepaald worden de onvolkomenheden bij
de analyse van minerale olie in sedimenten ter sprake gebracht.
|
|
|
 |
Baggerproblematiek en beheer in Bovenschelde
Case studie Monostortplaats voor baggerspecie te Sint Joris Beernem
|
|
| |
V. De Vlieger, E. Serbruyns
Waterwegen en Zeekanaal, Afdeling Bovenschelde
|
|
Het Agentschap
Waterwegen en Zeekanaal NV, Afdeling Bovenschelde beheert ca.
600 km bevaarbare waterlopen. Tevens is zij exploitant van diverse
monostortplaatsen voor baggerspecie, waaronder de site te Sint
Joris Beernem (ca. 50ha). De site is gelegen op een schiereiland,
ontstaan bij de rechttrekking van het kanaal Gent-Oostende. Voor
de creatie van bergingscapaciteit werd primair zand ontgonnen
en werd de ontginningsput ingericht als monostortplaats voor baggerspecie
(2001).
Met het oog op het optimaal gebruik van de gecreëerde bergingscapaciteit
startte de afdeling Bovenschelde een uniek (qua type en schaalgrootte)
pilootproject inzake zandafscheiding. Dit project is heden, gezien
de op stapel staande nieuwe exploitatiefase, toe aan een evaluatie.
De specie wordt opgespoten in scheidingsbekkens, waarbij de zandfractie
achterblijft in de zandbekkens, de leem/klei fractie in de kleibekkens.
Het is duidelijk dat door verbeterde inrichting en exploitatie
de efficiëntie van de zandafscheiding kan verhogen.
De in de zandbekkens achtergebleven specie komt in aanmerking
voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof. De specie in de
kleibekkens daarentegen komt niet in aanmerking voor vrij hergebruik
en dient te worden geborgen in de ontginningsput. Door de zandafscheiding
dient slechts 47% van de totaal aangevoerde specie te worden geborgen.
|
|
|
 |
Sediment en benthische ecologie van intergetijdengebieden |
|
| |
D. van der Wal, T. Ysebaert, P. M.J. Herman
Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW)
|
|
Sediment hangt
nauw samen met de hydrodynamiek en morfologie van estuaria, en
speelt daarmee een belangrijke rol in estuariene systemen. Kwantiteit
en kwaliteit van het sediment (bijvoorbeeld korrelgrootte-verdeling
en slibgehalte) zijn relevant voor scheepvaart en kustveiligheid,
maar ook voor organismen die in estuaria leven. In de Westerschelde
leeft het grootste deel van de bodemdieren in de intergetijdengebieden
die bij laag water droogvallen. Het macrozoöbenthos (schelp-
en schaaldieren en wormen) van deze intergetijdengebieden vormt
het voedsel voor vogels, vissen en de mens. De verspreiding van
macrozoöbenthos is gekoppeld aan de samenstelling van het
sediment. Enerzijds bepaalt de korrelgrootte-verdeling van het
sediment voor een groot deel de leefomstandigheden van het macrozoöbenthos,
en daarmee de verspreiding van soorten. Anderzijds kunnen bepaalde
soorten de samenstelling van het sediment veranderen, en de sedimentatie-
en erosieprocessen beïnvloeden.
In deze presentatie worden innovatieve methoden voorgesteld om
intergetijdengebieden in kaart te brengen en efficiënt te
monitoren. Met behulp van optische en radar remote sensing vanuit
satellieten kunnen de korrelgrootte en het slibgehalte van het
sediment in ruimte en tijd worden gevolgd. Vervolgens kan de ruimtelijke
verspreiding van het macrozoöbenthos met remote sensing worden
voorspeld. De methoden zijn toepasbaar voor het beheer van estuaria
en het bepalen van effecten van ingrepen in estuariene ecosystemen,
zoals (kokkel)visserij, eutrofiëring, zeespiegelstijging,
en baggerwerkzaamheden.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Waterbodem- en palingpolluentenmeetnet: een tandem voor de waterbodemsanering |
|
| |
C. Belpaire(1), W. De Cooman(2), G. Goemans(1), T. Onkelinx(1) en P. Quataert(1)
(1) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
(2) Vlaams Milieumaatschappij, Buitendienst Aalst |
|
Het VMM waterbodemmeetnet
monitort de waterbodem van 600 meetplaatsen in zowel bevaarbare
als onbevaarbare waterlopen aan de hand van de Triade methode.
De bodemkwaliteitsscore is een combinatie van chemische, biologische
en ecotoxicologische parameters. Het INBO beheert het Vlaamse
palingpolluentenmeetnet en volgt in 350 meetplaatsen op kanalen,
rivieren en afgesloten waters de concentratie op in paling via
een reeks van PCBs, zware metalen en pesticiden. Dit geeft ook
de mate van biobeschikbaarheid van deze vervuilende stoffen aan.
Via afstemming kunnen beide meetnetten een krachtiger beleidsinstrument
betekenen voor de waterbodemsanering en het waterbeleid in brede
zin. Er wordt nader ingegaan op de praktische implicaties van
deze samenwerking rekening houdend met de historiek, eigenheid
en complementariteit van beide meetnetten.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Sediment als biobarrière voor grondwater verontreinigd met gechloreerde alifatische koolwaterstoffen |
|
| |
K. Hamonts(1,2), M. Maesen(1), A. Ryngaert(1), J. Bronders(1), D. Springael(2) en W. Dejonghe(1)
(1) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), Afdeling Milieu- en Procestechnologie
(2) Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen, Afdeling Bodem- en Waterbeheer |
|
In steden en industriegebieden
kan vervuild grondwater een bron van verontreiniging vormen voor
beken en rivieren. De toxische stoffen die vanuit het grondwater
in de sedimentlaag van waterlopen infiltreren kunnen hierin echter
biologische en fysisch-chemische veranderingen ondergaan voordat
ze het oppervlaktewater bereiken. In deze studie werd onderzocht
hoever deze natuurlijke afbraakcapaciteit reikt in riviersediment
van de Zenne te Vilvoorde-Machelen, waar grondwater verontreinigd
met gechloreerde alifatische koolwaterstoffen (‘Chlorinated
Aliphatic Hydrocarbons’, CAHs) door de sedimentlaag stroomt.
Door de in situ monitoring van fysisch-chemische parameters, de
PCR detectie van CAH-afbrekende bacteriën en hun afbraakgenen
en het uitvoeren van batch afbraaktesten, werd een hoge microbiële
afbraakactiviteit in het Zenne sediment aangetoond. Dit afbraakpotentieel
volstaat echter niet om op alle onderzochte locaties in de rivierbedding
het oppervlaktewater te vrijwaren van contaminatie. De sedimentlaag
van de Zenne kan bijgevolg enkel mits enige stimulatie als efficiënte
‘biobarrière’ fungeren en zo het risico op
diffuse contaminatie van het oppervlaktewater volledig elimineren.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Rol van sediment in de hydromorfologie - case study Dijle |
|
| |
G. Van Hoydonck(1) en P. De Becker(2)
(1) Haskoning België
(2) Instituut voor Natuur-, en Bosonderzoek (INBO) |
|
De variatie in
tijd en ruimte van de verschillende beddingvormen van waterlopen
is een belangrijk gegeven binnen het integraal waterbeheer. De
vorm van de bedding bepaalt immers de stromingsweerstand en de
doorvoercapaciteit. Dit heeft niet alleen implicaties naar wateroverlastbeveiliging.
De variatie in tijd en ruimte bepaalt ook de variatie in beschikbare
habitats voor macrofyten en aquatische fauna. Verschillende soorten
stellen verschillende biotoopeisen. Het biotoop dat een bepaalde
soort gebruikt als voortplantingsgebied kan immers verschillen
van het foerageergebied of de zone waar de nodige beschutting
tegen predatoren gevonden wordt. Binnen de hydromorfologie oefent
de beschibaarheid van voldoende 'riviereigen' sediment een sleutelrol
in het behoud en de ontwikkeling van deze stromingsweerstand en
habitatdiversiteit. De hydromorfologische processen die de bewegingen
van sediment beschrijven, blijken in de literatuur uitgebreid
beschreven voor zand- en grindrivieren. Het belangrijkste erosieproces
is daar uitschuring wat ontstaat na het overschrijden van kritische
schuifspanningen. Voor waterlopen in een leem- of kleibedding
bestaat minder documentatie. Dit is deels te wijten aan het onvoorspelbare
karakter van de belangrijkste erosievorm, namelijk afglijdingen
ten gevolge van schommelende waterpeilen en niet ten gevolge van
uitschuring. Nochthans ontwikkelden in Vlaanderen verschillende
waterlopen in leemgebied een minstens even hoge historische sinuositeit
als waterlopen met vergelijkbare debieten in zandgebied. Vlaamse
bovenlopen in leemgebied worden bovendien gekenmerkt door aanzienlijke
hogere hellingsgraden (0,35-0,4 %) ten opzichte van beken met
een vergelijkbaar drainagegebied in de zandige kempen (0,1-0,15
%). Dit betekent op een recht traject een hogere gemiddelde stroomsnelheid
voor een leembeek dan voor een zandbeek. Om een vergelijkbare
erosieve werking te behouden, dient een leembeek dan ook een hogere
ruwheid of een hogere hydraulische straal (hogere breedte-diepteverhouding)
te creëren. In de praktijk zien we dat de rivierkanalen in de
bovenlopen in Vlaams leemgebied doorgaans dieper zijn ingesneden
dan deze in zandgebied. Vermoedelijk streven de waterloopsystemen
in leemgebied naar een nieuw dynamisch evenwicht aangepast aan
de huidige (verhoogde) afvoerpieken. Dit betekent uitdieping van
het rivierkanaal in de bovenlopen en bodempeilverhoging en verbreding
van het kanaal in de benedenloop. Op die manier daalt uiteindelijk
de hellingsgraad en daarmee ook de stroomsnelheid en de erosiekracht.
Een goede kennis van deze processen is van belang voor eventuele
toekomstige rivierherstelprojecten in Vlaanderen.
Eén van dergelijke morfologische onderzoeken vindt momenteel plaats
in de Dijle. Zo'n 6-10 km ten zuiden van Leuven ligt een traject
dat al sinds 1989 niet meer gemaaid of geruimd wordt. Sinds 1993
wordt een deel van dit traject opgemeten door het INBO. De ligging
van de historische meanders werd uit de orthofoto's gehaald.
Binnen het opvolgingsgebied meandert de Dijle min of meer vrij
door de 1 tot 1,5 kilometer brede vallei.
De basisafvoer van de Dijle bedraagt ca. 5 m³/sec. en het verhang
bedraagt ca. 0,5 m/km
Het alluvium bestaat vnl. uit leem en zware leem.
Het meanderpatroon van de Dijle is te omschrijven als een combinatie
van 2 types van meanders:
i. de rivier slingert van linker valleiflank over het centrum
naar de rechter valleiflank en terug over een afstand van 3 kilometer
(amplitude= 1km; golflengte = 3km)
ii. bovenop dat patroon is een patroon van "micromeanders" gesuperponeerd
(amplitude= 110 m; golflengte is 150-170 m).
Een aantal conclusies voor de Dijle:
- De typische sinusoïteit van de Dijle tussen de taalgrens en
Leuven bedraagt ongeveer 1,46.
- Over grote delen van het Dijletraject tussen de taalgrens en
Leuven zijn de rivierkarakteristieken nog kleiner, dat wil zeggen
dat de kans op toenemende meanderactiviteit reëel is.
- De piekigheid van de afvoeren lijkt de laatste decennia toe
te nemen; er zal een nieuw dynamisch evenwicht ontwikkelen met
een breder rivierkanaal en een toenemende golflengte.
- De meanderevolutie in riviertrajecten die in dynamisch evenwicht
zijn, verloopt hier volgens een translatiebeweging, dat wil zeggen
dat de meandertrein in een quasi ongewijzigd patroon stroomafwaarts
schuift.
|
|
|
 |
Een nieuwe benadering voor het beheren van de morfologie en de ecologie van de Westerschelde |
|
| |
S. Ides(1), Y. Plancke(1), T. De Mulder(1), F. Mostaert(1), J.J. Peters(2)
(1) Waterbouwkundig Laboratorium
(2) Port of Antwerp Expert Team |
|
Het Port of Antwerp
Expert Team (PAET) formuleerde in 2001 het idee om baggerspecie
aan te wenden om het Schelde-estuarium morfologisch en ecologisch
gezonder te maken. Als pilootproject binnen dit morfologische
beheer voor het estuarium stelde PAET voor baggerspecie aan te
brengen aan de rand van de plaat van Walsoorden in plaats van
in de vloedgeul. Dit idee beoogt een aanpassing van het plaat-
en geulenstelsel met als doel een betere splitsing van de vloedstroming
(behoud meergeulsysteem) en op termijn een verbetering van de
ecologische kwaliteit van de plaat van Walsoorden en mogelijk
een afname van de baggerinspanning door een verhoogd zelf-eroderend
vermogen van de stroming op de naastgelegen drempel. Hierdoor
wordt pro-actief bijgedragen aan de doelstellingen van de Lange
Termijn Visie voor het Schelde-estuarium. De haalbaarheid van
dit idee werd in 2002 - 2003 in opdracht van ProSes door het Waterbouwkundig
Laboratorium onderzocht.
Eind 2004 werd gedurende 1 maand 500.000 m³ zand met behulp
van een sproeiponton aangebracht nabij de plaat van Walsoorden.
De stortproef werd opgevolgd met een intensief monitoringprogramma,
met zowel aandacht voor morfologische als ecologische ontwikkelingen.
Op morfologisch gebied werd deze stortproef een succes: één
jaar na uitvoering van de proef lag nog 85% van het materiaal
ter plaatse. Ook de ecologische monitoring heeft een jaar na de
proefstorting geen negatieve effecten getoond. Begin 2006 werd
de stortproef verdergezet: opnieuw 500.000 m³ zand werd gestort.
Deze nieuwe proefstorting wordt momenteel verder opgevolgd met
het monitoringprogramma.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Meten en karakteriseren van slibafzetting in een wachtbekken |
|
| |
T. Van Hoestenberghe
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
|
|
Het sedimentmeetnet
van de afdeling Water (VMM) beschikt over verschillende meetstations
in het hellend gebied van zuidelijk Oost-Vlaanderen die continu
het sedimenttransport uit het stroomgebied bemeten. Twee van deze
stations bemeten eenzelfde agrarisch stroomgebied van ongeveer
550 ha, en zijn gelegen respectievelijk stroomop- en afwaarts
eenzelfde wachtbekken (wachtbekken in gemeente Huise, inhoud ca.
20 000 m³). Het stroomgebied bestaat voor 95% uit leem- of
zandleembodems. Sinds 2003 zijn 15 minuten-meetwaarden beschikbaar
van het sedimentdebiet in de waterloop. Een turbiditeitsensor
in combinatie met automatische staalnames meet de sedimentconcentratie
in de waterloop. Uit de sedimentconcentraties bekomen met de turbiditeitsensor,
desgevallend gecorrigeerd met behulp van individuele staalconcentraties,
werden voor de periode 2003-2006 (tem augustus) de ‘best
beschikbare’ jaarlijkse sedimenttransporten begroot zowel
op- als afwaarts het wachtbekken. Hieruit kan de sedimentafzetting
in het wachtbekken afgeleid worden. Deze begroting van aanslibbing
wordt gecontroleerd door het wachtbekken regelmatig topografisch
op te meten. Sinds 2003 is de berging van het wachtbekken met
ongeveer 1000 m³ verminderd. De vangefficiëntie van
het wachtbekken variëerde de laatste 4 jaar tussen 30 tot
50%.
Voor 4 hoogwaterevents in 2004 en 2005 werden naast de sedimentdebieten
voor beide stations ook de in situ (of effectieve) korrelgrootteverdelingen
bepaald van individuele stalen doorheen de hoogwatergolf. Door
voor elke tijdstap het sedimentdebiet te beschouwen per korrelfractie,
werd voor elk event de sedimenvracht-gewogen gemiddelde korrelgrootteverdeling
bepaald voor het event. De gemiddelde korrelgrootte-verdeling
van de 4 hoogwaterevents voor het meetstation opwaarts het wachtbekken
blijkt zeer gelijkaardig. De fracties tot 20 µm vormen het
hoofdaandeel van het sediment opwaarts het wachtbekken: gemiddeld
73%.
Uit de verschillen in sedimentvracht-gewogen gemiddelde korrelgrootteverdeling
van beide stations per event kan het percentage sediment bezonken
in het wachtbekken per fractie per event berekend worden. Dit
blijkt sterk te verschillen per golf, maar gemiddeld voor de 4
events krijgt men verrassend hoge bezinkingspercentages van de
kleinste fracties (< 10 µm): minstens 10%.
Bekijkt men het aandeel van elke fractie in de totale afzetting
in het wachtbekken, dan blijkt minstens 50% te bestaan uit de
fractie < 20 µm. Korrelgrootte-analyses van stalen van
bezonken sediment in het wachtbekken na een hoogwaterevent bevestigen
dit. Dit is te verklaren door het grote aandeel van de fractie
< 20 µm van het sediment opwaarts het wachtbekken en
het niet te verwaarlozen bezinkingspercentage voor de kleinste
fracties (minstens 10%).
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Authigeen sediment: een belangrijke bijdrage tot de totale sedimentlading van de Kleine Nete |
|
| |
E. Vanlierde(1), J. De Schutter(2), P. Jacobs(1) en F. Mostaert(2)
(1) Vakgroep Geologie en Bodemkunde, Onderzoekseenheid: Sedimentaire Geologie en Ingenieursgeologie
(2) Waterbouwkundig Laboratorium |
|
Het sediment dat
voorkomt in rivieren wordt vanuit verscheidene bronnen aangevoerd.
Sommige bronnen zoals bodemerosie en industriële lozingen
zijn goed gekend maar authigene sedimentvorming is weinig of niet
bestudeerd.
Authigeen sediment ontstaat in de rivier zelf, door neerslaan
van stoffen die in oplossing waren in het grondwater, maar die
niet langer in evenwicht zijn in het fluviatiele milieu.
In het Netebekken slaan voornamelijk ijzermineralen neer. Ze vormen
vlokken die erg veel contaminanten kunnen ad- en absorberen en
een grote bijdrage leveren aan de totale sedimentlading die door
de Nete getransporteerd wordt.
Het Waterbouwkundig Laboratorium heeft daarom in samenwerking
met de Universiteit Gent het Model voor Authigeen Rivier Sediment
(MARS) ontwikkeld. Dit heeft berekend dat over de periode 1999-2005
gemiddeld 65 % van het getransporteerde sediment van authigene
oorsprong was.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Analyse van relaties tussen sedimentkarakteristieken en
macro-invertebratengemeenschappen a.d.h.v. data mining technieken |
|
| |
P. Goethals(1), A. Dedecker(1), W. Gabriels(1, 2), W. De Cooman(2) en N. De Pauw(1)
(1) Universiteit Gent, Vakgroep Toegepaste Ecologie en Milieubiologie
(2) Vlaamse Milieumaatschappij, Buitendienst Aalst |
|
Dit onderzoek
beoogde het bepalen van de dominante sedimenteigenschappen voor
rivierorganismen, door beslissingsbomen en artificiële neurale
netwerken toe te passen op de VMM-databank van onbevaarbare waterlopen
in Vlaanderen. De gebruikte modelleringstechnieken zijn beiden
gegevensgebaseerd, waarbij tijdens het ontwikkelen van de modellen
dus geen gebruik gemaakt van a priori en vaak vooringenomen kennis
van ecologische experts. Bij de discussie werden de resultaten
van de gegevensgebaseerde modellen echter wel meegeëvalueerd
a.d.h.v. expertregels uit de literatuur. Deze benadering laat
toe om nieuwe habitatrelaties af te leiden uit grote gegevensbanken,
en op die manier een beter inzicht in rivierecosystemen te krijgen
om het beheer van waterlopen te helpen ondersteunen.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
MODELKEY: "Modellen voor het beoordelen en voorspellen van de effecten door 'sleuteltoxicanten' op het zoetwater- en mariene milieu en de biodiversiteit" |
|
| |
E. De Deckere(1), C. Van Liefferinge(1), V. Leloup(1), C. Schmitt(1), W. Brack(2) en P. Meire(1)
(1) Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
(2) Leipzig-Halle, Centre for Environmental Research |
|
Een slechte ecologische
toestand en een gereduceerde biodiversiteit van zowel zoetwater-
als mariene ecosystemen wordt mede veroorzaakt door chemische
stress ten gevolge van contaminanten. In functie van de implementering
van de Europese kader richtlijn water wordt de waterkwaliteitsbeoordeling
gedaan op basis van traditionele hydromorfologische, fysisch-chemische,
biologische parameters en de concentraties van een lijst van prioritaire
contaminanten. Op basis hiervan kan men een goede indicatie van
de kwaliteit krijgen. Maar voor het stellen van een betrouwbare
diagnose en het voorspellen van de toxische impact op het aquatische
ecosysteem is er nood voor een goede identificatie van de effectieve
stress factoren en voor betrouwbare identificatie van de oorzaak-effect
relaties tussen chemische verontreiniging en de afname van de
biodiversiteit. Binnen Modelkey wordt er getracht om hierin meer
inzicht te krijgen met behulp van bestaande en nieuw te ontwikkelen
modellen.
De toetsing wordt gedaan zowel op bekkenniveau als op locatie
niveau. Op bekkenniveau wordt er gekeken naar de Elbe, Llobregat
en de Schelde. Hierbij wordt op basis van monitoringsgegevens
een analyse gedaan van de belangrijkste karakteristieken op basis
waarvan een eerste inschatting wordt gemaakt van het effect van
contaminatie in vergelijking met het effect van andere stress
factoren. Binnen de Schelde zijn er een beperkt aantal locaties
gekozen waar er uitgebreid wordt gekeken naar het effect van verontreinigingen
op de biota. Hierbij wordt er zowel gekeken naar de samenstelling
van de biota, bioaccumulatie, toxicologische effecten als naar
de analyse van de meest toxische component. De locaties die in
de Schelde zijn gekozen liggen in de volgende waterlopen: het
Schijn, de Schelde ter hoogte van Lippenbroek, de Westerschelde
ter hoogte van Terneuzen, de Zenne en de Grote Nete. De eerste
resultaten tonen aan dat er een duidelijke impact van contaminatie
kan aangetoond worden op de betreffende locaties.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Het bepalen van erosiegevoeligheid van verontreinigde sedimenten in functie van risico-analyse |
|
| |
E. De Deckere(1), B. Westrich(2), Th. Jancke(2), K. Bal(1), C. Van Liefferinge(1) en P. Meire(1)
(1) Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
(2) University of Stuttgart, Institute of Hydraulic Engineering |
|
Veel contaminanten
zijn gebonden aan sedimentpartikels en stapelen zich op in de
bodem op plaatsen waar sedimentatie kan voorkomen. Afhankelijk
van het watergehalte, organisch stof gehalte, korrelgrootte en
extracellulaire polymere substanties zal het gesedimenteerde materiaal
een bepaalde sterkte hebben, de zogenaamde “shear strength”.
Als de “shear stress”, ten gevolge van stroming, groter
is dan de “shear strength” zal het gesedimenteerde
materiaal resuspenderen en verder benedenstrooms getransporteerd
worden. Naast de sedimentpartikels worden hierdoor ook de aan
de partikels gehechte contaminanten benedenstrooms verspreid.
Bij het maken van een risico-analyse van verontreinigde sedimenten
op het ecosysteem is het essentieel om een idee te krijgen van
het risico op de verdere verspreiding van de verontreiniging.
In getijdegebieden is er reeds veel aandacht besteed aan het meten
van de sediment “shear strength” in functie van het
modelleren van sedimenttransport, in rivieren is hier tot nog
toe echter zeer weinig aandacht aan besteed. In het kader van
een pilot study zijn er verschillende apparaten vergeleken voor
het bepalen van de “shear strength”. Het betreft twee
in-situ apparaten, namelijk een cohesive strength meter (CSM)
en de EROMOB. Beiden zijn vergeleken met de resultaten van een
laboratorium stroomgoot (SETEG). De drie apparaten zijn getest
op verontreinigde sedimenten uit de Elbe en het Schijn en op twee
artificiële sedimenten. De resultaten tonen aan dat de apparaten
geschikt zijn om een significant onderscheid te maken in de “shear
strength” van sedimenten van verschillende locaties. De
sedimenten van het Schijn zijn veel gevoeliger voor erosie dan
de sedimenten uit de Elbe. Bovendien zal er bij het overschrijden
van de “shear strength” ook gelijk veel materiaal
resuspenderen. Het risico op verspreiding van de gecontamineerde
sedimenten is bij een gelijke “shear stress” dan ook
groter in het Schijn dan in de Elbe.
In de toekomst zal er gekeken worden of het ook mogelijk is om
op bekkenniveau hierin onderscheid te maken. Een koppeling met
hydraulische modellen zal het dan mogelijk maken om de erosiegevoeligheid
van sedimenten op bekkenniveau in te schatten.
|
|
|
 |
Het effect van overstroming op de beschikbaarheid van zware metalen in een zoetwaterschor |
|
| |
J. Teuchies, E. de Deckere en P. Meire
Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
|
|
De Schelde is
een van de weinig West-Europese rivieren waar de getijdengolf
nog ver landinwaarts kan doordringen. De ongestoorde gradiënt
van zoet- over brak- naar zoutwatergetijdengebieden die hiervan
een gevolg is maakt dit één van de meest waardevolle
estuaria in Europa. Als overgang tussen land en zee herbergen
deze gebieden specifieke en waardevolle ecosystemen en fungeren
vaak als filter voor de door menselijke activiteiten verhoogde
vracht van nutriënten en verontreinigende stoffen. Hierbij
spelen intertidale gebieden een belangrijke rol. Door de geplande
Gecontrolleerde OverstromingsGebieden (GOG) onder invloed van
een Gecontroleerd Gereduceerd Getij (GGG) te plaatsen kan het
areaal aan de natuurlijke intertidale gebieden uitgebreid worden.
Waar de morfologie van de Schelde nog een ecologische waarde heeft
is het veel slechter gesteld met de water- en sedimentkwaliteit.
De Schelde kent een geschiedenis van contaminatie met zware metalen.
Er bestaat echter een dalende trend in metaalemissies naar lucht
en water vanaf 1970, maar door jarenlange sedimentatie op slikken
en schorren blijft het gecontamineerde verleden hier aanwezig.
De vraag moet dan ook gesteld worden of de aanwezigheid van deze
contaminanten een bedreiging vormt voor het voorbestaan en de
verdere ontwikkeling van de intertidale gebieden.
De gehalten aan metalen in het sediment bereiken hoge waarden
waarbij de gehalten aan As, Cd en Cr de toegelaten norm overschrijden.
De verdeling van de metalen in de bodem lijkt een reflectie te
zijn van de pollutie geschiedenis. Slechts een beperkte hoeveelheid
van deze persistente contaminanten komt in het poriënwater
terecht en wordt als plantbeschikbare fractie beschouwd. Een algemene
trend van een grotere beschikbaarheid in omstandigheden met minder
inundatie, beschreven in de literatuur, is aanwezig maar niet
duidelijk. De redoxpotentiaal lijkt hierbij een determinerende
rol te spelen.
Door de vorming van een metaalplaque rond de wortels en in mindere
mate de rhizomen kunnen gehalten metalen rond deze organen zeer
hoog oplopen. Toch zijn de gehalten metalen opgeslagen in het
sediment van het schor gemiddeld een factor 1000 groter dan deze
geassocieerd met wortels of rhizomen. Hierbij zijn de gehalten
metalen geassocieerd met wortels en rhizomen hoger in het schorgedeelte
met minder frequente inundatie. Ook dit kan worden verklaard door
verschillen in redoxpotentiaal. Een kleine fractie van de zware
metalen opgeslagen in de bodem van het schor wordt opgenomen door
de rietplanten. Hierbij vervagen de verschillen tussen overstromingsregimes
die in de bodem bestaan. Het gehalte aan metalen is algemeen het
grootst in de pluim en het kleinst in de stengel. Atmosferische
depositie kan een bijdrage leveren aan het gehalte metalen in
de bovengrondse biomassa.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Ontwikkeling van ecologisch en ecotoxicologisch onderbouwde kwaliteitsdoelstellingen voor waterbodems |
|
| |
V. Leloup, P. Meire en E. De Deckere
Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group
|
|
De huidige referentiewaarden
voor waterbodems in Vlaanderen zijn niet voldoende onderbouwd.
Referentiewaarden of kwaliteitsdoelstellingen die in functie van
de Europose Kaderrichtlijn Water zeker vroeg of laat uitgewerkt
moeten worden. Aangezien de hoeveelheid gegevens van de waterbodemkwaliteit
jaarlijks toeneemt, gaf dit de mogelijkheid om op basis van deze
gegevens is zowel ecologisch als ecotoxicologisch onderbouwde
kwaliteitsdoelstellingen voor in situ waterbodems te bepalen.
Hierbij wordt voor de ecologische onderbouwing gebruik gemaakt
van Lowest Effect Level (LEL) en Severe Effect Level (SEL) als
’Sediment Effect Concentraties’ (SEC’s) berekend
op basis van het voorkomen van macro-invertebraten in Vlaanderen.
Voor de ecotoxicologische onderbouwing worden Treshold Effect
Level (TEL) en Probable Effect Level (PEL) berekend op basis van
de resultaten van ecotoxiciteitstesten (in het kader van TRIADE-bepalingen).
Met behulp van de waterbodemdatabank van de VMM werden LEL, SEL,
TEL en PEL berekend voor individuele zware metalen, PAK’s,
PCB’s, OCP’s, EOX en apolaire KWS.
Op basis van de ecologisch en ecotoxicologisch onderbouwde SEC’s
werden tenslotte consensuswaarden berekend , ‘’consensuswaarde
1’’ zijnde het rekenkundig gemiddelde van LEL en TEL
en ‘’consensuswaarde 2’’ het rekenkundig
gemiddelde van PEL en SEL. Wanneer het hele meetnet bekeken werd
bevonden op 16 van de 528 meetpunten de gehaltes van al de 31
onderzochte stoffen zich onder ‘’consensuswaarde 1’’.
Op 1 meetpunt bevonden 27 van de 31 onderzochte stoffen zich boven
‘’consensuswaarde 2’’.
Uit deze studie blijkt dat de op basis van de gegevens uit een
grote monitoringsset berekende LEL, SEL, TEL en PEL waarden een
goede basis vormen voor het vastleggen van Sediment Effect Concentraties
(SEC’s). Bij deze SEC’s kan nog een bepaalde macroinverterbraten
gemeenschap voorkomen en treden geen zware toxische effecten op.
Ze kunnen een basis vormen voor de formulering van kwaliteitsdoelstellingen
voor waterbodems.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
|
|