|
|
 |
 |
| Inhoud |
|
Deze
nieuwsbrief bevat de samenvattingen van de lezingen van
de studiedag "Recente ontwikkelingen in het grondwateronderzoek in Vlaanderen" die plaatsvond op 8 februari
2007.
Deze studiedag kadert binnen het congres Watersysteemkennis, dat georganiseerd wordt op initiatief van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid in samenwerking met de Universiteit Antwerpen, de Universiteit Gent, de Katholieke Universiteit Leuven en de Vrije Universiteit Brussel.
In
eerdere en volgende nieuwsbrieven werden / worden de samenvattingen van alle
andere studiedagen opgenomen. Van zodra de volledige artikels beschikbaar zijn, worden deze op de website van TIJDSCHRIFT WATER geplaatst.
Klik hier
voor een overzicht van de beschikbaarheid van de volledige
artikels. |
- Voorwoord
Recente ontwikkelingen in het grondwateronderzoek in Vlaanderen
Prof. Dr. K. Walraevens
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
- Grondwatermonitoring in Vlaanderen: van concept tot uitvoering
D. D'hont, C. Slenter en J. November,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
- Grondwaterbalansen van aquifers in natuurlijke en (over)geëxploiteerde regimes
J. Lermytte,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
- Grondwatermodel voor simulatie van overexploitatie-effecten in de afgesloten aquifers onder de Boomse Klei
M. Gedeon, I. Wemaere
Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN)
- Hydrodynamische tijdsevolutie van aquifers in natuurlijke en (over)geëxploiteerde toestand
M. Van Camp en K. Walraevens,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
- Paleohydrogeologische studie van de site te Mol
I. Wemaere, J. Marivoet en S. Labat
Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN)
- Het concept van Hydrologisch Homogene Zones in Vlaanderen ter beoordeling van de kwetsbaarheid van het grondwater voor nitraatverontreiniging
R. Eppinger,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
- De beoordeling van de kwalitatieve toestand van grondwaterlichamen
A. Fronhoffs,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
- Methodologie voor de bepaling van drempelwaarden en natuurlijke achtergrondwaarden van grondwaterlichamen ontwikkeld in BRIDGE - Toepassing op het Belgische CKS_0200_GWL_1 grondwaterlichaam (Neogene Aquifer)
M. Coetsiers en K. Walraevens,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
- Biogeochemische transportmodellering ter ondersteuning van in-situ grondwatersanering
G. Schoups (1), P. Seuntjens (1), L. Bastiaens (2), en H. Sapion (3)
(1) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek, Integrale Milieustudies, Land en Water Management
(2) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek, Milieu- en procestechnologie
(3) Sapion Hans Milieu-advies
- Gebruik van geofysische prospectie in het kader van bodem- en grondwaterverontreiniging
K. Martens en K. Walraevens,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
- Toepassing van component-specifieke stabiele isotopenanalyse bij het onderzoek naar verontreiniging van het grondwater met organische polluenten
J. Verhack (1, 2), J. Bronders (1), I. Van Keer (1), R. Swennen (2), H. Veld (3) & J. Schwarzbauer (4)
(1) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO)
(2) Katholieke Universiteit Leuven, Geologie
(3) Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO, Nederland
(4) Lehrstuhl für Geologie, Geochemie und Lagerstätten des Erdols und der kohle, RWTH Universiteit Aken, Duitsland
- Oosterweel grondwatermodel
O. Sels,
Arcadis
- Systematiek voor het bepalen van de impact van de interactie tussen het grondwater en
oppervlaktewaterstysteem
K. Herbos,
Haskoning
- De grondwatervoeding van Vlaanderen
O. Batelaan en F. De Smedt,
Vrije Universiteit Brussel
- Torreele - hergebruik van water maakt duurzaam beheer van duinwaterwinningen mogelijk
E. Van Houtte en J. Verbauwhede,
Intercommunale Waterleidingsmaatschappij van Veurne-Ambacht (I.W.V.A.)
- Koude-warmteopslag: het milieu wint tweemaal
G. Draelants,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken
- VERSLAG VAN DE DISCUSSIESESSIE
Rapporteur: M. Van Camp,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
- De ontwikkeling en evolutie van de Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV): een uitwisselingsplatform voor ondergrond-gerelateerde gegevens in het algemeen en voor grondwateronderzoek in het bijzonder
M. Van Damme,
Databank Ondergrond Vlaanderen
- Project 'Grensmaas'
L.J.M. Ruijpers,
Witteveen+Bos
- Retourbemaling en grondwaterverontreiniging
J. Van Steenwinkel,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken
- Voorstelling van het koude-warmteopslagproject Kazerne Blairon in Turnhout
G. Draelants,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken
- Voorstelling van de analyse van een proefpomping/pompproef bij diverse Brouwerijen tijdens het in werking zijn van de installatie
Y. Meyus,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken
- Bepaling en modellering van de biogeochemische processen die het gedrag van zware metalen in grondwater bepalen
P. Seuntjens (1), K. Vanbroekhoven (2), I. Joris (1), S. Van Roy (2), L. Diels (2)
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek - (1) Integrale Milieu Studies, Land en Water Management, (2) Milieu- en procestechnologie
- Grondwatersystemen en grondwaterlichamen in Vlaanderen als leidraad voor het primair meetnet van de VMM, afdeling Water
C. Slenter,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
- De monitoring van stijghoogtes als basis voor de beoordeling van de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen
J. November,
Vlaams Milieumaatschappij, afdeling Water
- Hydrologische monitoring in natuurgebieden
P. De Becker,
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
- Filtertechniek voor het kwantificeren van parasitaire debieten in riolen
G. Vaes (1) en P. Willems (2)
(1) HydroScan NV
(2) K.U.Leuven, Laboratorium voor Hydraulica
- Resultaten in vitro toxiciteitstesten op grondwaters in woonwijken
R. Weltens, C. Vangenechten, P. Berckmans, D. Ooms, J. Maes, G. Jacobs, M.P. Goyvaerts,
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek
|
|
|
|
 |
Voorwoord
Recente ontwikkelingen in het grondwateronderzoek in Vlaanderen |
|
| |
Prof. Dr. K. Walraevens
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie |
|
De studiedag 'Recente
ontwikkelingen in het grondwateronderzoek in Vlaanderen' was de
vierde in de reeks van studiedagen die georganiseerd werden in
het kader van het Congres Watersysteemkennis. Beide voorafgaande
studiedagen, die betrekking hadden op aspecten van oppervlaktewater,
trokken een (onverwacht) hoge opkomst aan, met ruim 200 deelnemers.
Wij waren er toen van overtuigd dat de studiedag over grondwater
véél kleinschaliger zou zijn. Grondwater was immers in het verleden
steeds het kleine broertje in de waterfamilie; per slot van rekening
is grondwater aan het blote oog onttrokken, en onbekend maakt
onbemind. Maar wat bleek: voor 'onze' studiedag hadden zich eveneens
een 200-tal deelnemers aangemeld! En ook al waren de weergoden
ons uitgesproken slecht gezind (de enige dag van de winter 2006-2007
met grote sneeuwellende op de weg was uitgerekend donderdag 8
februari, de datum van onze studiedag), toch was de opkomst op
de dag zelf ook uitermate verheugend. Grondwater in Vlaanderen
is dus duidelijk zichtbaar geworden. En dat vormt op zich reeds
een hele kentering.
Vanwaar die ontwikkeling? Sedert 1984 toen de voorloper van het
Congres Watersysteemkennis, nl. het Congres Water voor Groen,
doorging, is er inderdaad grote beweging gekomen in het 'grondwatermilieu',
als ik dat zo mag noemen. De maatschappelijke ontwikkelingen,
met een sterk toegenomen milieubewustzijn, liggen ongetwijfeld
aan de basis hiervan. Dit heeft zich vertaald in allerlei beleidsinitiatieven
in verband met grondwater, waarbij Europa meestal het voortouw
nam, door het opleggen van Richtlijnen. Ik denk hierbij aan de
afbakening van beschermingszones rond grondwaterwinningen, de
wetgeving inzake bodemverontreiniging en -sanering, de bepalingen
in VLAREM I en II, de wetgeving op de milieueffectrapportering,
de Europese Nitratenrichtlijn, en de Europese Kaderrichtlijn Water,
die bij ons geleid heeft tot het Decreet Integraal Waterbeleid.
Hierin is sprake van de goede chemische toestand en de goede kwantitatieve
toestand van grondwater, die uiterlijk tegen 22 december 2015
dienen te worden bereikt. Recent is de Europese Grondwaterdirectieve
gefinaliseerd, die hier nadere invulling aan geeft. Deze grondwatergerelateerde
regelgeving legt de uitvoering van onderzoek op. Dat betekent
dat er niet alleen een toegenomen aandacht voor grondwater, maar
bovendien een sterk gegroeide arbeidsmarkt voor grondwaterdeskundigen
is ontstaan. De meeste aanwezigen op de studiedag waren dan ook
vertegenwoordigd in het kader van hun beroepsactiviteiten.
De lezingen en posters, gepresenteerd op de studiedag, werden
ingedeeld in vier items: Grondwaterkwantiteit; Grondwaterkwaliteit;
Voeding van aquifers; en tenslotte Hydrogeologische, hydrochemische
en geofysische onderzoeksmethoden - Geïntegreerde case-studies.
Beide eerstgenoemde items omvatten, naast bijdragen uit de onderzoekswereld,
verscheidene lezingen vanuit de bevoegde Vlaamse grondwater-administratie,
waarbij vooral de wijze, waarop in Vlaanderen vorm wordt gegeven
aan de implementatie van de Kaderrichtlijn Water, naar voren werd
gebracht. Bij de twee laatste items kwamen ook de drinkwatersector
en vooral de milieustudiebureaus ruim aan bod, naast onderzoeksinstellingen.
Er mag gerust gesteld worden dat het programma van de studiedag
een evenwichtige weerspiegeling vormde van de diverse actoren
die op het gebied van grondwater actief zijn in Vlaanderen. Tijdens
de afsluitende discussieronde werd gereflecteerd over controversiële
vragen zoals: Wat is duurzame exploitatie?, Hoe rekening houden
met hydrogeologische onzekerheden bij het gebruik van onderzoeksresultaten?,
Worden extreme situatie voldoende in rekening gebracht?, Is de
bescherming van grondwater doeltreffend?, en Wat zijn zinvolle
milieukwaliteitsnormen voor grondwater, evenals significante kwaliteitsnormen
voor grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen?
Ongetwijfeld vormde deze studiedag een initiatief waarvoor belangstelling
bestaat. Wellicht hoeven er deze keer niet meer dan 20 jaar overheen
te gaan, om dit nog te herhalen.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Grondwatermonitoring in Vlaanderen: van concept tot uitvoering |
|
| |
D. D'hont, C. Slenter en J. November,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
|
|
Vlaanderen is
opgebouwd uit een opeenvolging van zandige en kleiige lagen. Deze
opeenvolgende aquifers en aquitards worden in Vlaanderen beschreven
aan de hand van de HCOV-codering.
De hydrogeologische opbouw van Vlaanderen is verder afgebakend
in 6 grondwatersystemen en 42 grondwaterlichamen. De evolutie
van de grondwatermeetnetten is zwaar beïnvloed door deze
recente onderverdeling van Vlaanderen, die geïnspireerd is
door de Kaderrichtlijn Water.
Het primaire grondwatermeetnet is al in uitbouw sinds de jaren
’70 en beoogt voornamelijk het vaststellen van de regionale
grondwaterreserves en de kwantiteitsevolutie op het niveau van
de grondwaterlichamen. Dit meetnet bestaat uit een beperkte reeks
peilputten, gelegen zoveel mogelijk buiten de antropogene invloedssfeer
en zodanig geselecteerd dat zij gegevens verstrekken die representatief
zijn voor een (qua ontginning) belangrijk grondwaterlichaam of
groep van grondwaterlichamen. Het totale meetnet zal in 2007 beschikken
over ca. 860 filters voor maandelijkse kwantiteitsmetingen. Bovendien
kan dit meetnet ingeschakeld worden voor het bepalen van de kwaliteit
van de diepere watervoerende lagen. In een 20-tal geselecteerde
filters zal er in een eerste testfase gewerkt worden met digitale
registratieapparatuur.
In 2003 werd gestart met een freatisch grondwatermeetnet om aan
de doelstellingen van de bestaande Europese richtlijnen te kunnen
voldoen en een beter beeld te krijgen van de grondwaterkwaliteit
in het algemeen. Om aan de diverse monitoringverplichtingen te
kunnen voldoen, zoals opgegeven in de Kaderrichtlijn Water en
het decreet Integraal waterbeleid, wordt volgende aanpak gevolgd:
- Initiële monitoring (afgerond in het najaar van 2006):
identificatie van risicozones (zowel op kwalitatief als kwantitatief
vlak) op basis van grondwatersystemen / grondwaterlichamen / afgelijnde
zones (HHZ) door metingen van de peilevolutie en de parameterverontreinigingen,
die potentieel kunnen voorkomen;
- Toestandsmonitoring (verlengstuk van initiële monitoring):
opvolging van de toestand en trend voor de grondwaterlichamen
van heel Vlaanderen ter aanvulling en bevestiging van de karakterisering,
de eerste drie jaar op jaarlijkse basis en daarna op 3-(6-)jaarlijkse
basis;
- Operationele monitoring: opvolging van risicozones en risicoparameters
door grondwaterlichaamspecifieke selectie van putten met halfjaarlijkse
metingen, in probleemzones ook met hogere frequentie mogelijk;
- Kwantiteitsmonitoring: opvolging van risicozones in het kader
van waterhuishouding (verdroging, vernatting…) waar met
een hogere frequentie de peilevolutie moet worden gemeten, minimum
maandelijks.
Het primair en het freatisch meetnet worden beheerd door de afdeling
Water van VMM. Voor aanvullende informatie, vooral over gebieden
met speciale doelstellingen, zoals drinkwaterwingebieden en grondwaterafhankelijke
terrestrische en aquatische ecosystemen kunnen desgevallend bestaande
grondwatermeetnetten van andere organisaties worden ingeschakeld.
Bij vastgestelde hiaten is de implementatie van nieuwe putten
een bijkomende optie. Verontreiniging door puntbronnen wordt door
OVAM opgevolgd in het kader van de uitvoering van het bodemsaneringsdecreet.
Op basis van de resultaten van het kwantiteitsmeetnet wordt een
beoordeling van de kwantitatieve toestand van grondwatersystemen
en –lichamen gegeven, zowel op korte (3 jaar) als op lange
(10 jaar) termijn. Deze beoordeling, in combinatie met de achtergrondkennis
van de systemen en lichamen en de grondwatermodellen moet een
inschatting geven op welke manier en waar de operationele monitoring
voor het kwantitatieve aspect in de toekomst moet uitgevoerd worden
zodat kan ingeschat worden waar en hoe de doelstellingen van de
kaderrichtlijn Water kunnen/moeten gehaald worden.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Grondwaterbalansen van aquifers in natuurlijke en (over)geëxploiteerde regimes |
|
| |
J. Lermytte,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water |
|
Een waterbalans
is een onmisbaar gegeven in het waterbeheer.. Om aan deze opdracht
te kunnen voldoen wordt door VMM (afdeling Water) voor gans Vlaanderen
gebiedsdekkend grondwatermodellen opgebouwd. Deze regionale grondwatermodellen,
die samen het Vlaams GrondwaterModel genoemd worden, laten toe
de verschillende termen van een grondwaterbalans te berekenen
voor specifieke gebieden of zelfs voor specifieke lagen.
De belangrijkste inbreng van water in het grondwatersysteem gebeurt
via de neerslag. Slechts een deel van de neerslag bereikt de watertafel
om daarna zijn ondergrondse weg te starten. Aan de hand van het
WetSpass-model is de jaargemiddelde grondwatervoeding voor Vlaanderen
berekend met een ruimtelijke resolutie van 50 m (De Smet et al.,
2004). Deze grondwatervoeding wordt zowel voor de winter als de
zomer berekend. Naast de grondwatervoeding via neerslag wordt
het grondwatersysteem in Vlaanderen ook aangevuld via grensoverschrijdende
aquifers. De grondwatermodellen die in het kader van het VGM worden
gebouwd, zijn zodanig begrensd dat de interactie tussen het Vlaams
gewest en de aangrenzende regio’s kan berekend worden.
Het Vlaams GrondwaterModel is ontwikkeld met MODFLOW en laat toe
de verschillende termen van de grondwaterbalans te berekenen.
Vooral de interactie met waterlopen en grondwaterafhankelijke
ecosystemen (wetlands) wordt nauwlettend bestudeerd. Uit voorlopige
resultaten blijkt dat de kwaliteit van de oppervlaktewatergegevens
(RIVER randvoorwaarde) een grote invloed heeft op de waterbalans.
Tijdens gevoeligheidsanalyses wordt nagegaan welke parameters
grote invloed hebben op de waterpeilen en de waterbalansen. Via
scenarioberekeningen wordt de impact van grondwaterwinningen op
de watertafel alsook op de verschillende termen van de waterbalans
berekend.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Grondwatermodel voor simulatie van overexploitatie-effecten in de afgesloten aquifers onder de Boomse Klei |
|
| |
M. Gedeon, I. Wemaere
Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN)
|
|
Met de financiële
steun van NIRAS/ONDRAF voert het Studiecentrum voor Kernenergie
te Mol in het kader van performantiestudies voor de eventuele
geologische berging van hoog radioactief afval o.a. hydrogeologische
studies uit. Daarbij is de hydrogeologische modellering op regionale
schaal één van de sleutelelementen. Binnen dit project
wordt een nieuw transiënt model ontwikkeld voor de modellering
van overexploitatie-effecten op de diepe watervoerende lagen onder
de Boomse Klei.
Aangezien deze overexploitatie een grootschalig probleem is, strekt
het model zich over een grote oppervlakte uit. Bijkomend is er
over de diepe lagen in het algemeen en de erin plaatgrijpende
langetermijn pompingen in het bijzonder sowieso al relatief weinig
data beschikbaar, waardoor er meerdere vereenvoudigingen in het
model gebruikt (moeten) worden. Omwille van deze vereenvoudigingen
zijn niet alle in piëzometers gemeten waterpeilen even accuraat
gereproduceerd, doch de algemene trends konden wel gereproduceerd
worden.
Ondanks deze tekortkomingen is dit transiënt model toch een
bruikbaar instrument dat gebruikt kan worden met het oog op verdere
analyses.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Hydrodynamische tijdsevolutie van aquifers in natuurlijke en (over)geëxploiteerde toestand |
|
| |
M. Van Camp en K. Walraevens,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
|
|
Vaak wordt de
hydrodynamica van aquifersystemen geëvalueerd en gesimuleerd
als een evenwichtstoestand (“steady state”) waarbij
de grondwaterstroming in evenwicht is met de randvoorwaarden of
de randvoorwaarden niet variëren met de tijd. Het gebrek
aan lange meetreeksen werkt dit zeker in de hand, alsook het feit
dat evenwichtsberekeningen met een simulatiemodel meestal minder
tijd vergen om uit te voeren. Toch kunnen sommige aquifersystemen
of bepaalde hydrodynamische deelaspecten ervan slechts goed benaderd
worden a.h.v. tijdsafhankelijke stromingsregimes (“transient
flow”). Dit geldt voor zowel de natuurlijke toestand als
voor geëxploiteerde aquifers. Hier worden enkele voorbeelden
van aquifersystemen gegeven die de tijdsafhankelijkheid van sommige
hydrodynamische aspecten tonen en aangeven dat de toestand die
op een bepaald tijdstip wordt vastgesteld, slechts een momentopname
is die absoluut in de langere termijn evolutie van het systeem
dient gepositioneerd te worden.
De natuurlijke evolutie van het Neogeen Aquifersysteem in Antwerpen
en Limburg werd gesimuleerd over een periode van ruim 170 jaar.
Hierbij werden de meteorologische meetdata van Ukkel gebruikt
waarvan de reeksen beginnen in 1833. Het model berekent stijghoogteverdelingen
op maandbasis, maar laat ook toe de uitbreiding van het discharge-gebied
te begroten en de intensiteit van de drainage te quantificeren.
Daarbij blijkt vooral de winter-discharge, zowel wat uitbreiding
als intensiteit betreft, te variëren van jaar tot jaar, maar
niet de zomer-afvloei. Hoewel voor een dergelijk lange periode
geen piezometrische waarnemingsreeksen beschikbaar zijn, geven
de modelresultaten toch een beeld van de variaties in de hydrodynamica
die op een tijdsschaal van bijna twee eeuwen kunnen optreden t.g.v.
meteorologische fluctuaties.
Van het westelijk kustgebied werd met een stromingsmodel de afvloei
van zoet duinwater naar de zee berekend gedurende de laatste 30
jaar. Dit gebeurde zowel voor de natuurlijke toestand als met
waterwinning in de duinen. De evolutie van de afvloei toont dat
er de interjaarlijkse variaties vooral de winter-afvloei betreffen
en niet zozeer de zomer-afvloei.
Het diepe Sokkel Aquifersysteem onder West- en Oost-Vlaanderen
wordt sinds honderd jaar sterk geëxploiteerd. De waterpeilen
in deze diepe laag hebben sindsdien een sterk dalende trend getoond.
De laatste 15 jaar werd door de overheid een systematische monitoring
van de peilen uitgevoerd en wordt vastgesteld dat op vele plaatsen
de daling quasi lineair verloopt. Dit lijkt erop te wijzen dat
de voeding van het systeem zeer beperkt is en een simulatiemodel
van een dergelijk aquifer systeem dient dan ook te steunen op
een tijdsafhankelijk stromingsregime. In het geval van het diepe
Sokkel Aquifersysteem werd de hele exploitatiegeschiedenis van
de laag in rekening gebracht, al moest daarvoor de evolutie van
de winningsdebieten wat schematisch ingeschat worden door gebrek
aan historische pompgegevens.
De aangehaalde voorbeelden tonen dat vele facetten van aquifersystemen
sterk kunnen variëren met de tijd, ofwel door fluctuaties
van randvoorwaarden, ofwel omdat de tijd nodig om tot een evenwicht
te komen, langer is dan de periode waarbinnen de monitoring geschiedde.
Evenwichtsregimes dienen dan ook met de nodige voorzichtigheid
gebruikt te worden bij het simuleren van aquiferproblemen.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Paleohydrogeologische studie van de site te Mol |
|
| |
I. Wemaere, J. Marivoet en S. Labat
Studiecentrum voor Kernenergie (SCK-CEN)
|
|
Een methode is
voorgesteld (EC project) om rekening te houden met de klimaateffecten
bij de veiligheidsanalyses van de geologische berging van radioactief
afval in een kleilaag. De methode is toegepast op de site van
Mol (België) en is gebaseerd op een paleoreconstructie van
het hydrogeologisch systeem van noordoost België. De klimaatevolutie
is vertaald in klimaatperiodes over de laatste Wescheliaan ijstijd
(-125 kjaar tot heden). De evolutie van de concentratie in 18O
en 14C in de Onder Rupeliaan (OR)en in de Lede-Brussel (LB) aquifers
en is gesimuleerd door middel van transport- en waterbewegingmodellering
en de huidige verspreidingen vergeleken met waarnemingen. De 18O
concentraties, in de OR aquifer, duiden op een paleosignaal dat
een verband heeft met de voorbije ijstijd. De 14C concentraties
in de OR en LB aquifers bevestigen de aanwezigheid van heel oud
water in het noorden.
De methode is toegepast bij de evaluatie van de gevolgen van de
berging van radioactief afval. Het toont dat, bij gelijkaardige
ijstijden, hogere concentraties van radionucliden kunnen voorkomen
in de watervoerende lagen omwille van een drastische vermindering
van de verdunning.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Het concept van Hydrologisch Homogene Zones in Vlaanderen ter beoordeling van de kwetsbaarheid van het grondwater voor nitraatverontreiniging |
|
| |
R. Eppinger,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water |
|
Vlaanderen is
ten behoeve van de Kaderrrichtlijn Water ingedeeld in 42 aparte
grondwaterlichamen. De monitoring van het grondwater gebeurt op
het niveau van deze evaluatie-eenheden zowel als uitspraken over
de kwalitatieve- en kwantitatieve toestand van het grondwater
in Vlaanderen. Naast deze officiële indeling in grondwaterlichamen
kunnen tal van andere mogelijke indelingen gebruikt worden die
elk een eigen doel hebben : bekkens en deelbekkens, gemeenten,
provincies enz.
Hydrologisch Homogene Zone’s (HHZ’s) werden opgesteld
ten behoeve van het bepalen van de potentiële kwetsbaarheid
van het grondwater ten opzichte van nitraat. Hier wordt verder
ingegaan op het tot stand komen van deze HHZ’s, wat de randvoorwaarden
zijn, hoe de zones zich geografisch verspreiden en welke kwaliteitsparameters
hiermee kunnen geëvalueerd worden. Er wordt kort ingegaan
op het gebruik van deze indeling als basis voor de opbouw van
het freatisch grondwatermeetnet. Verder wordt besproken wat de
beperkingen zijn bij het overgaan van één evaluatie-eenheid
naar een ander.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
De beoordeling van de kwalitatieve toestand van grondwaterlichamen |
|
| |
A. Fronhoffs,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
|
|
Aan de hand van
grondwaterstalen uit de verschillende grondwaterlichamen wordt
de waterkwaliteit van deze lichamen vastgesteld. Hiervoor werden
2 meetnetten geïnstalleerd (freatische grondwatermeetnet
en primair grondwatermeetnet). Voor het opstellen van het monitoringsprogramma
is gebruik gemaakt van een conceptueel model: de kans op de verspreiding
van verontreinigende stoffen (landgebruik), het gedrag van die
verontreinigende stoffen (parameterspecifiek gedrag) evenals hoe
deze verontreinigingen zich gedragen in het grondwater bepalen
de verdeling van de peilbuizen over de verschillende grondwaterlichamen.
Het freatisch grondwatermeetnet met ruim 2100 putten en 5200 filters
in landbouwgebied wordt sinds 2004 twee maal per jaar volledig
bemonsterd en geanalyseerd op een uitgebreide waaier van kwaliteitsparameters.
Het primaire grondwatermeetnet wordt sinds 2006 eveneens gebruikt
om kwaliteitsmetingen op de diepere watervoerende lagen uit te
voeren. Begin 2007 zal dit meetnet bestaan uit 436 putlocaties
met 860 filters.
Afhankelijk van de doelstellingen worden voor de kwaliteitsbeoordeling
van het grondwater verschillende normen gehanteerd: drinkwaternormen,
bodemsaneringsnormen en milieukwaliteitsnormen.
Een overzicht van de aanwezigheid van nutriënten, zware metalen
en bestrijdingsmiddelen zal gegeven worden. Op basis van deze
resultaten zal een eerste beoordeling gegeven worden over de kwalitatieve
toestand van de grondwaterlichamen.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Methodologie voor de bepaling van drempelwaarden en natuurlijke achtergrondwaarden van grondwaterlichamen ontwikkeld in BRIDGE - Toepassing op het Belgische CKS_0200_GWL_1 grondwaterlichaam (Neogene Aquifer) |
|
| |
M. Coetsiers en K. Walraevens,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
|
|
Ter ondersteuning
van de statusbepalingen van de Kaderrichtlijn Water en de Dochterrichtlijn
Grondwater werd in het Europese BRIDGE project (Background criteria
for the IDentification of Groundwater thrEsholds) (gesponsord
door de Europese Commissie binnen het Zesde Kaderprogramma) een
methodologie ontwikkeld voor de bepaling van drempelwaarden van
verontreinigende stoffen in grondwaterlichamen. Drempelwaarden
zijn kwaliteitsstandaarden voor verontreinigende stoffen in grondwater,
welke door de individuele lidstaten moeten vastgelegd worden,
en stellen een concentratie van de verontreinigende stof voor
dewelke niet overschreden mag worden teneinde de menselijke gezondheid
en het milieu te beschermen (Müller et al., 2006). In werkpakket
4 (WP4: Studie van representatieve sites en testen van de toepasbaarheid)
van BRIDGE werd deze vooropgestelde methodologie getest op grondwaterlichamen
in Europa. Het Vlaamse CKS_0200_GWL_1 grondwaterlichaam werd in
dit kader bestudeerd om de natuurlijke achtergrondwaarden en drempelwaarden
voor grondwater te bepalen. De bepaling van de natuurlijke achtergrondwaarden
is belangrijk aangezien de grondwaterrichtlijn erkent dat grondwater
met natuurlijke, hoge concentraties van sommige substanties niet
als zijnde ‘in slechte status’ moet gedefinieerd worden
om die reden alleen. Een gelaagde aanpak werd voorgesteld om de
status van een grondwaterlichaam te bepalen waarbij in iedere
rang toenemend verfijnde niveaus van gegevensverzameling en -analyse
vereist zijn.
Het Centraal Kempisch Systeem komt voor in het noordoosten van
Vlaanderen en wordt er onderverdeeld in vier grondwaterlichamen
waarvan CKS_0200_GWL_1 het grootste is. Dit grondwaterlichaam
is opgebouwd uit de freatische Miocene en Pliocene mariene tot
continentale afzettingen en werd reeds uitvoerig bestudeerd door
de auteurs (Coetsiers & Walraevens, 2006a; Coetsiers &
Walraevens, 2006b; Coetsiers & Walraevens, in press; Coetsiers,
in prep). Volgens de gelaagde aanpak werden de natuurlijke achtergrondwaarden
(Tier 1) en drempelwaarden (Tier 2) bepaald voor CKS_0200_GWL_1.
Deze methodologie werd toegepast voor vier receptoren: ‘grondwater
zelf’, ‘grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen’,
‘aquatische ecosystemen’ en ‘drinkwater’.
Verdunning met oppervlaktewater (Tier 3) en verdunning door (bio)geochemische
reacties (Tier 4) werden niet beschouwd door een gebrek aan gegevens.
De methodologie voor de bepaling van de drempelwaarden werd per
receptor toegepast op de parameters van de milieukwaliteitsstandaarden
waarvan analytische gegevens beschikbaar waren. De parameters
die behandeld werden zijn: pH, EC, Na, K, Ca, Mg, Fe, Mn, NH4,
SO4, NO3, NO2, PO4, Al, Zn, As, Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Sb, F
en B. De toepasbaarheid van de methodologie gebeurde door te kijken
naar het percentage van overschrijdingen van de drempelwaarde
in een databank met 540 grondwaterstalen. Algemeen kan aangenomen
worden dat de methodologie ontwikkeld in BRIDGE toepasbaar is
op het grondwaterlichaam CKS_0200_GWL_1.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Biogeochemische transportmodellering ter ondersteuning van in-situ grondwatersanering |
|
| |
G. Schoups (1), P. Seuntjens (1), L. Bastiaens (2), en H. Sapion (3)
(1) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek, Integrale Milieustudies, Land en Water Management
(2) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek, Milieu- en procestechnologie
(3) Sapion Hans Milieu-advies
|
|
Grondwatersaneringen
hebben lange tijd hoofdzakelijk bestaan uit drastische methoden
zoals ontgravingen en ‘pump and treat’ (P&T) systemen.
Stijgende kosten voor grondverwerking en langdurige sanering zorgen
ervoor dat deze saneringsmethodes onhoudbaar of economisch onrealistisch
worden. Een alternatief is om de vervuiling in-situ te immobiliseren
of af te breken aan de hand van fysische, chemische, of biologische
processen. Een groot aantal in-situ technieken is reeds beschikbaar,
zoals natuurlijke en gestimuleerde microbiologische attenuatie,
reactieve wanden, reactieve zones, bio-precipitatie, etc. Hoewel
in de meeste gevallen de saneringsprocessen kwalitatief begrepen
zijn, is er nood aan een instrument (‘modelleringstool’)
waarin de processen op een verstandelijke manier geïntegreerd
zijn zodat voorspellingen en praktische ondersteuning kunnen aangeleverd
worden.
Een onderzoeksproject werd opgestart om het nut van biogeochemische
transportmodellering te illustreren bij grondwatersanering met
permeabele reactieve wanden (‘permeable reactive barriers’
of PRB’s). Het doel van dit onderzoek is de ontwikkeling
van een betrouwbaar simulatiemodel dat toelaat om de lange-termijn
werking van PRB’s te voorspellen in functie van o.a. de
samenstelling van het grondwater, de lokale hydrogeologie, en
de design parameters van de PRB (bv. dikte). In het bijzonder
moet het model in staat zijn om mogelijke porositeits- en reactiviteitsverminderingen
in de wand ten gevolge van minerale neerslag te voorspellen. Hiertoe
wordt een hydrologisch model voor de berekening van grondwaterstroming
en transport van opgeloste stoffen doorheen een PRB gekoppeld
aan een geochemisch model dat de verschillende chemische reacties
in de PRB in rekening brengt. De betrouwbaarheid van het model
zal getest worden aan de hand van data van een aantal PRB sites
en lab-experimenten. Het model wordt ontwikkeld binnen een modulair
samengesteld modelconcept dat relatief eenvoudig uit te breiden
is naar andere in-situ saneringstechnieken.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Gebruik van geofysische prospectie in het kader van bodem- en grondwaterverontreiniging |
|
| |
K. Martens en K. Walraevens,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie
|
|
Dat geofysische
prospectie gebruikt kan worden voor de bepaling van lithologisch
verschillende lagen is algemeen geweten. Geofysische prospectie
is daarnaast echter ook geschikt voor het opsporen en afbakenen
van verontreinigingspluimen en kan vervolgens aangewend voor het
opvolgen van saneringswerken De toepasbaarheden van elektrische
en elektromagnetische methoden worden hier geïllustreerd aan de
hand van verschillende case-studies. Een van de belangrijkste
voorwaarde voor de toepassing van deze methoden bij verontreiniging
is dat de verontreiniging een verandering teweegbrengt in de conductiviteit
(of resistiviteit) van de ondergrond. Onafhankelijk van de onderzoeksmethode
dient een referentiekader vastgelegd te worden, waarbij de natuurlijke
achtergrondwaarde voor de conductiviteit (geleidbaarheid) van
de ondergrond gedefinieerd wordt.
Een eerste hier voorgestelde methode van geofysische prospectie
is de elektromagnetische profilering waarbij langsheen verschillende
trajecten de grondconductiviteit gemeten wordt. De afstand tussen
de zender en de ontvangerspoel bepaalt de indringingsdiepte. De
grondconductiviteit kan rechtstreeks afgelezen en opgeslagen worden.
Aan de hand van de verworven data langsheen een profiel in een
niet verontreinigde zone, kan een achtergrondwaarde voor de niet-verontreinigde
ondergrond gedefinieerd worden. Door de data afkomstig van verschillende
profielen op kaart voor te stellen, kan de laterale uitbreiding
van de verontreinigingspluim afgeleid worden.
Een tweede methode is de toepassing van de geo-elektrische tomografie.
Geo-elektrische tomografie is een combinatie van resistiviteitssonderingen
met resistiviteitsprofilering waarbij een groot aantal elektroden
op gelijke afstand van elkaar langs een lijn wordt geplaatst.
De metingen worden gestuurd door een microprocessor, waarbij een
multiplexer telkens 4 elektroden adresseert. De afstand tussen
de geadresseerde elektroden neemt stapsgewijze toe, en zo ook
de indringingsdiepte. Rekening houdend met de lithologische bouw
van de ondergrond en de overeenstemmende natuurlijke achtergrondwaarden,
kan de verontreiniging langs het profiel vertikaal begrensd worden.
Tot slot kunnen ook boorgatmetingen waarbij de conductiviteit
of resistiviteit van de ondergrond gemeten wordt, informatie leveren
over de vertikale conductiviteitsopbouw. Een verandering ten gevolge
van verontreiniging zal merkbaar zijn in de boorgatmetingen. Uit
deze informatie kan de diepte van de verontreiniging afgeleid
worden. Elektromagnetische metingen hebben als voordeel dat ze,
in tegenstelling tot resistiviteitsmetingen, ook in (met plastic)
verbuisde putten bruikbaar zijn.
Deze geofysische onderzoeksmethoden zijn niet destructief en kunnen
op een snelle en eenvoudige manier aangewend worden om nuttige
informatie in te winnen over een grote oppervlakte. Aan de hand
van enkele case-studies waarbij 1 of meerdere onderzoeksmethoden
aangewend werden, zullen de toepassingsmogelijkheden in een oriënterend
of beschrijvend bodemonderzoek en bij de opvolging van saneringen
getoond worden.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Toepassing van component-specifieke stabiele isotopenanalyse bij het onderzoek naar verontreiniging van het grondwater met organische polluenten |
|
| |
J. Verhack (1, 2), J. Bronders (1), I. Van Keer (1), R. Swennen (2), H. Veld (3) & J. Schwarzbauer (4)
(1) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO)
(2) Katholieke Universiteit Leuven, Geologie
(3) Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO, Nederland
(4) Lehrstuhl für Geologie, Geochemie und Lagerstätten des Erdols und der kohle, RWTH Universiteit Aken, Duitsland
|
|
Op talrijke plaatsen
in Vlaanderen is het grondwater verontreinigd met organische polluenten
(bijv. gechloreerde solventen of monoaromatische koolwaterstoffen).
In het bijzonder in industriezones vormen deze verontreinigingen
een belangrijk probleem, meer bepaald bij het karakterisatie en
bij het bepalen van geschikte saneringsstrategieën. Daarnaast,
zijn er dikwijls problemen bij het bepalen van de verantwoordelijkheid
m.b.t. saneringsplicht. De bepaling van de bron en verspreiding
van de verontreiniging, wordt in industriezones vaak bemoeilijkt
door het grote aantal potentiële bronnen. Ook de complexe
transport- en afbraakprocessen die de polluenten in de ondergrond
ondergaan, bemoeilijk de interpretatie. Het is minder bekend dat
naast de chemische identiteit en de concentratie van de verontreiniging
meer informatie beschikbaar is om verschillende bronnen en het
lot van organische verbindingen in het milieu te onderscheiden,
met name de stabiele isotoopsamenstelling van de polluenten. Stabiele
isotoopanalyse heeft recentelijk een sterke opgang gemaakt in
het onderzoek naar bodem- en grondwaterverontreiniging dankzij
de analyse van de isotoopsamenstelling van een individuele verbinding
uit een complex mengsel van polluenten, i.e. component-specifieke
isotoopanalyse (of CSIA). CSIA levert vaak bijkomende en unieke
data om enerzijds verschillende bronnen van organische verontreiniging
te onderscheiden en anderzijds transformatie reacties (o.a. biologische
afbraak) te identificeren en kwantificeren.
Stabiele isotopenanalyse werd reeds succesvol toegepast bij verschillende
laboratorium experimenten en veldstudies voor het identificeren
van microbiële afbraak. In het geval van complexere verontreinigingssituaties
werden de toepassingsmogelijkheden van CSIA tot heden onvoldoende
onderzocht. De toepassing bij complexe verontreinigingen werd
onderzocht voor twee sites, waarbij het grondwater verontreinigd
was door meerdere bronnen van respectievelijk monoaromatische
en gechloreerde alifatische koolwaterstoffen. Aan de hand van
deze case studies worden de mogelijkheden en beperkingen van CSIA
besproken worden. Meer bepaald bij het onderscheiden van verontreinigingsbronnen
en bij het identificeren microbiële afbraakprocessen
|
|
|
 |
Oosterweel grondwatermodel |
|
| |
O. Sels,
Arcadis |
|
Ter ondersteuning
van het project Oosterweelverbinding (sluiting van de Ring rond
Antwerpen via een tunnel onder de Schelde en een brug over de
dokken op rechteroever) werd een eindige verschillen grondwatermodel
(Modflow) opgesteld van Antwerpen Linkeroever. De resultaten van
dit grondwatermodel werden zowel gebruikt ter ondersteuning van
de natuurstudie (herinrichting Rot, Vliet, St-Annabos, Middenvijver,
Blokkersdijk …in Natuurpark Linkeroever) als bij het ontwerp
en dimensionering van de tunnel onder de Schelde. Voor de ondersteuning
van het grondwatermodel:
o werden meer dan 100 peilbuizen geplaatst (2 tot 30 m diep)
o werd een pomptest over meerdere dagen uitgevoerd ter bepaling
van de hydraulische karakteristieken van de ondergrond
o werden de grondwaterstanden maandelijks opgemeten
o werd met behulp van divers (dataloggers) het effect van het
getij in de Schelde onderzocht in de twee bovenste aquifers
o werden chemische analyses uitgevoerd op de belangrijkste anionen
en kationen op alle nieuwe peilbuizen en werd met behulp van oa
de Stuyfzand methode de grondwaterstroming onderzocht
o werd aan de hand van bathymetrische opmetingen de bodem van
de vijver Blokkersdijk in beeld gebracht
o werd de bestaande toestand gesimuleerd bij laagtij, hoogtij,
springtij, gemiddeld tij … op de Schelde
o werden een aantal scenario’s doorgerekend
Het grondwatermodel werd met veel aandacht voor detail opgebouwd.
Er werd eveneens een doorgedreven gevoeligheidsanalyse uitgevoerd.
Het model werd opgebouwd met GMS.
Deze studie is een voorbeeld van de toepassing van verschillende
technieken en methodes die kunnen helpen bij de opbouw, kalibratie
en validatie van een regionaal grondwatermodel. Voor projecten
van deze grootteorde is het naar ons inziens aangewezen grondwatermodellen
op deze manier aan te wenden.
Opdrachtgever: NV BAM (Beheersgroep Antwerpen Mobiel)
Opdrachtnemer: TV SAM (Studiegroep Antwerpen Mobiel, tijdelijke
vereniging tussen ARCADIS, Grontmij en Technum)
Projectmedewerkers: Olivier Sels, Severien Vits, Wouter Gevaerts
(ARCADIS)
|
|
|
 |
Systematiek voor het bepalen van de impact van de interactie tussen het grondwater en
oppervlaktewaterstysteem
|
|
| |
K. Herbos,
Haskoning |
|
Oppervlaktewater
kan interageren met het grondwatersysteem door te draineren of
te infiltreren. Het inschatten van de grootte van deze interactie
en de systeemwerking zijn noodzakelijk voor het beheer en het
bepalen van de impact van ingrepen aan het grond- en oppervlaktewatersysteem.
Dit kan gebeuren aan de hand van metingen en modellen. De scheepvaart
en Haskoning hebben voor deze metingen, modelleringen en verwerking
van de resultaten enkele nieuwe methodes en tools opgesteld. Deze
methodiek werd opgesteld in het kader van ingrepen aan het grensmaassysteem
en zal aan de hand van dit voorbeeld toegelicht worden. In een
eerste fase werd een meetnet van peilbuizen uitgebouwd. Bij het
uitzetten van dit meetnet werd er specifiek rekening gehouden
met de invloed van de Maas zowel ruimtelijk als qua filterdiepte.
Ook bij de bepaling van het aantal opmeetmomenten werd rekening
gehouden met de Maas. Meer bepaald met de grootte en de snelheid
van de peilvariaties. Vervolgens werd op basis van deze opmetingen
een eerste systeemanalyse uitgevoerd.
De tweede stap bestond uit het opstellen van een oppervlaktewatermodel.
De resultaten van dit model werden via een speciaal hiervoor ontwikkelde
tool één op één in het grondwatermodel
ingevoerd. Om de interactie tussen deze oppervlaktewaterpeilen
en het grondwater te specifieren, moeten er in het grondwatermodel
een aantal parameters worden ingevoerd. Het gaat hierbij in de
eerste plaats om de drainage- en infiltratieweerstand van de rivier
en de geologie. De drainage- en infiltratieweerstand van de Maas
wordt in de eerste plaats bepaald door de afpleisterlaag. Om deze
te karakteriseren werd door Haskoning een methodiek op basis van
image-analysis geïmplementeerd. Wat betreft de geologie is
in de Maasvallei vooral het grindpakket bepalend aangezien deze
een zeer grote permeabiliteit heeft. Op basis van de kalibratie
werden deze parameters verder getoetst aan de werkelijkheid.
In een laatste fase werden de resultaten van het grondwatermodel
verwerkt. Deze verwerking gebeurde specifiek gericht op de interactie
tussen oppervlakte- en grondwater. Er werd gekeken naar de effecten
van oppervlaktewatervariatie in functie van de tijd. Deze effecten
op het grondwater werden eveneens in beeld gebracht door het maken
van animaties van de grondwaterstandsschommeling. Om het naijlend
effect van oppervlaktewaterstandsschommelingen in kaart te brengen
werd een specifieke module ontwikkeld. Vervolgens werden ook de
infiltratie- en drainagedebieten geanalyseerd en werd de “kwel”
door infiltratie bekeken.
Uit de resultaten van deze gevalstudie kan geconcludeerd worden
dat het oppervlaktewatersysteem hier de belangrijkste bepalende
factor is voor het grondwatersysteem.
Effecten van ingrepen op het oppervlaktewatersysteem hebben zeker
in de nabijheid van de Maas effecten van ongeveer dezelfde grootteorde
op het grondwatersysteem. Ingrepen moeten dus goed gedimensioneerd
worden zodat het effect op het grondwatersysteem niet nadelig
is. In dit geval wenste men bijvoorbeeld de waterstand bij een
hoogwatersituatie te laten dalen maar dit zonder effect op het
grondwater bij een laagwatersituatie zodat er geen negatieve effecten
voor ecologie en waterwinning ontstonden. Op basis van de resultaten
van het grondwatermodel en het oppervlaktewatermodel zijn de ingrepen
iteratief aangepast tot deze het gewenste resultaat opleverden.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
De grondwatervoeding van Vlaanderen |
|
| |
O. Batelaan en F. De Smedt,
Vrije Universiteit Brussel |
|
Grondwatervoeding
is de bron van al het kostbare grondwater. Een juiste inschatting
van grondwatervoeding is daarom essentieel voor het beheer van
grondwaterkwantiteit en kwaliteit. Grondwatervoeding is afhankelijk
van verschillende factoren zoals topografie, bodemhelling, bodemtextuur,
landgebruik, neerslag en evapotranspiratie. Verandering in grondwatervoeding
kan wijziging van de grondwaterspiegel tot gevolg hebben en aldus
resulteren in verdroging- of vernattingproblemen. Vooral verstedelijking
geeft een vermindering van de grondwatervoeding. In het verleden
werd de grondwatervoeding vaak op een rudimentaire wijze geschat.
Hiermee, droeg de grondwatervoeding bij aan een onnodig grote
onzekerheid in de analyse van grondwatersystemen. Batelaan en
De Smedt (2001) ontwikkelde het WetSpass model voor de bepaling
van de grondwatervoeding. Dit model berekent de oppervlakkige
afvoer, de evapotranspiratie en de grondwatervoeding aan de hand
van het landgebruik, de bodemtextuur, de topografische helling
en klimatologische gegevens. Het grondwatervoedingsmodel laat
toe vragen te beantwoorden als; Hoeveel bedraagt de grondwatervoeding
en wat is de ruimtelijke verspreiding ervan in functie van de
omgevingsfactoren zoals topografie, bodemtextuur en landgebruiktype?
In welke mate is de grondwatervoeding afhankelijk van hydrologische
factoren, zoals neerslag en verdamping? Wat zijn de belangrijkste
factoren die de grondwatervoeding bevorderen of verminderen? Meer
in het bijzonder toont een analyse van de impact van het landgebruik,
welke landgebruiktypes gunstig of ongunstig zijn voor de grondwatervoeding
op een kwantitatieve basis. Hierdoor wordt het ook mogelijk om
voor elk landgebruiktype de relatieve bijdrage in de globale grondwatervoeding
in te schatten. In deze presentatie wordt een overzicht gegeven
van de methode van grondwatervoeding bepaling. Daarnaast wordt
uitvoerig ingegaan op de resultaten van de simulatie van grondwatervoeding
voor geheel Vlaanderen. Regionale verschillen, worden gekenmerkt
in relatie tot omgevingsvariabelen. Ten slotte worden conclusies
getrokken met betrekking tot het beheer van grondwatervoeding.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Torreele - hergebruik van water maakt duurzaam beheer van duinwaterwinningen mogelijk |
|
| |
E. Van Houtte en J. Verbauwhede,
Intercommunale Waterleidingsmaatschappij van Veurne-Ambacht (I.W.V.A.) |
|
Met de start van
de productie van infiltratiewater uitgaande van rioolwatereffluent,
in juli 2002, heeft de I.W.V.A. integraal waterbeheer in de praktijk
gebracht. Dankzij de inzet van de beschikbare zoetwaterbronnen
uit de omgeving, zijnde effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie
Wulpen (in beheer van Aquafin), kon in de bestaande duinwaterwinningen
'Sint-André' en 'de Westhoek', de natuurlijke grondwateronttrekking
sterk worden verminderd wat een duurzame grondwateronttrekking
garandeert.
Voor de behandeling van het secundair rioolwatereffluent van het
RWZI Wulpen, wordt beroep gedaan op membraantechnieken, o.a. omgekeerde
osmose (RO). Dit garandeert dat het infiltratiewater van zeer
goede kwaliteit is, zowel microbiologisch alsook de aspecten die
de ecologie van het gebied beïnvloeden (nutriënten, zouten). Het
geproduceerde RO filtraat wordt, na een pH correctie, in de freatische
watervoerende laag onder de duinen (St-André) aangevuld en na
een verblijftijd van minimaal ca 40 dagen teruggewonnen via 112
ondiepe winputten.
In 2006 werd op die manier 2,2 miljoen kubieke meter geïnfiltreerd
wat overeenkomt met 41% van de totale drinkwaterbehoefte van de
I.W.V.A.
Sedert de start van het project is de grondwaterstand in de beide
waterwinningen gevoelig gestegen waardoor er terug een grotere
stroming is van grondwater vanuit de duinen naar de omgeving.
Dit beschermt de kwaliteit van het grondwater onder de duinen.
Door de combinatie met actief natuurbeheer is de natuurwaarde
van de gebieden ook toegenomen.
Het teruggewonnen water wordt zoals voorheen behandeld via beluchting
en zandfiltratie. De kwaliteit van het drinkwater dat in 'St-André'
wordt geproduceerd is positief geëvolueerd. Door het inbrengen
van kalkarm infiltratiewater is de hardheid afgenomen van ca 35
°F in 2002 tot ca 15 °F nu. Dit draagt uiteraard bij tot een groter
comfort voor de gebruiker. Ook het zoutgehalte is gedaald.
Maar het project heeft uiteraard ook economische voordelen want
dankzij dit project is de I.W.V.A. beter gewapend de piekbelastingen,
eigen aan distributie in kustgebieden, op te vangen.
Gezien de bezorgdheid over de klimaatverandering en de waterschaarste
die er in veel gebieden heerst, merken we een groeiende interesse
voor dit project.
|
|
|
 |
Koude-warmteopslag: het milieu wint tweemaal |
|
| |
G. Draelants,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken |
|
Koude-warmteopslag
is een techniek waarbij restwarmte/zomerwarmte en restkoude/winterkoude
in de bodem worden gestockeerd door middel van waterputten. Enerzijds
betekent dit dat er geen water wordt verbruikt om water te koelen.
Anderzijds is het mogelijk om het primair energieverbruik voor
verwarming en koeling drastisch te verminderen.
Dit betekent ook dat er gelijktijdig een aanzienlijk debiet moet
gewonnen en hervoed worden. De technische en administratieve randvoorwaarden
voor een dergelijke installatie worden toegelicht.
|
|
|
 |
VERSLAG VAN DE DISCUSSIESESSIE |
|
| |
Rapporteur: M. Van Camp,
Universiteit Gent, Laboratorium voor Toegepaste Geologie en Hydrogeologie |
|
Prof. K. Walraevens,
coördinator van deze studiedag, trad op als moderator van
de discussiesessie. Een aantal discussiepunten over volgende onderwerpen
werd hierbij gepresenteerd als vertrekpunt voor een gespreksronde:
- duurzame exploitatie van aquifers
- hydrogeologische onzekerheden
- extreme situaties
- effectiviteit wetttelijke protectiemaatregelen
- milieukwaliteitsnormen
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
De ontwikkeling en evolutie van de Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV): een uitwisselingsplatform voor ondergrond-gerelateerde gegevens in het algemeen en voor grondwateronderzoek in het bijzonder |
|
| |
M. Van Damme,
Databank Ondergrond Vlaanderen |
|
Situering
van DOV
In 1996 startte het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met
de ontwikkeling van de Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV) via
interdepartementale samenwerking tussen de drie betrokken afdelingen.
De belangrijkste doelstelling was een databank met informatie
over de ondergrond in Vlaanderen uit te bouwen ten behoeve van
deze drie afdelingen om geïntegreerd gebruik van de gegevens
mogelijk te maken en tegelijk de informatie inspelend op de doorsnee
behoeften in de buitenwereld publiek toegankelijk te maken. DOV
is sedert 2002 gratis toegankelijk op het web via
http://dov.vlaanderen.be.
Op 03/07/2006 werd, om rekening te houden met de herstructurering
binnen de Vlaamse Overheid, het samenwerkingsprotocol vernieuwd.
De afdeling Land- en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke
Rijkdommen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie,
de afdeling Water van de Vlaamse Milieumaatschappij en de afdeling
Geotechniek van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken
zijn de partners in dit nieuwe protocol. Het ondersteunend
centrum DOV (OC-DOV) werd hierbij versterkt en staat in voor
de overkoepelende taken, de centrale opvolging van de projecten
en de afstemming van de inhoudelijke expertise voor elk deeldomein
binnen DOV. Een stuurgroep coördineert de werkzaamheden en
bepaalt het beleid.
Gegevens in DOV ten behoeve van grondwateronderzoek
Via DOV worden zowel alfanumerieke als cartografische gegevens
aangeboden. Alfanumerieke gegevens hebben betrekking op boringen,
sonderingen, grondwatermeetnet en grondwatervergunningen. Afgeleide
cartografische gegevens zijn o.m. de tertiairkaart, de isohypsen,
de isopachen, … Ook de afbakening van waterwingebieden en
beschermingszones kan geraadpleegd worden evenals de grondwaterkwetsbaarheidskaart.
Kort samengevat bevat DOV een veelheid aan gegevens die het resultaat
zijn van verkenning en onderzoek in het verleden. Deze gegevens
vormen op hun beurt de basis voor planning en uitvoering van nieuw
(toegepast) wetenschappelijk onderzoek m.b.t. de ondergrond in
het algemeen en over grondwater in het bijzonder, waarvan de gegevens
op hun beurt opnieuw aan DOV kunnen worden toegevoegd om zo de
gevensbasis stelselmatig uit te breiden en verder wetenschappelijk
onderzoek te stimuleren.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Project 'Grensmaas' |
|
| |
L.J.M. Ruijpers,
Witteveen+Bos
|
|
De rivier de Grensmaas
bevindt zich tussen Maastricht en Roermond, in de provincie Limburg
in het zuiden van Nederland. Dit deel van de Maas, dat een lengte
van ongeveer 40 km bestrijkt, vormt de grens tussen Nederland
en België.
Het Grensmaasproject behelst enerzijds de ontwikkeling van de
Grensmaas tot een - met het oog op hoogwaterbescherming - veilige
rivier. Anderzijds beoogt het Grensmaasproject meer leefruimte
voor planten en dieren te ontwikkelen. Een derde doel van het
Grensmaasproject vormt de winning van zand en grind.
De directe aanleiding voor het project waren de overstromingen
in 1993 en 1995, waarbij verscheidene gebieden in het dal van
de Grensmaas onder water kwamen te staan. Het Ministerie van Verkeer
en Waterstaat, het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
en de provincie Limburg hebben toen besloten de rivierbedding
en de uiterwaarden van de Grensmaas aan te passen, zodat de rivier
meer afvoercapaciteit krijgt en de omgeving beter beschermd is
tegen overstromingen. Er werd een geïntegreerd plan ontwikkeld
voor de hoogwaterbeveiliging en de ontwikkeling van natuur in
combinatie met het winnen van grind en zand. Met de opbrengsten
van het grind en zand wordt het Grensmaasplan betaald.
Als onderdeel van het project zijn hydraulische en geohydrologische
berekeningen uitgevoerd met behulp van een numeriek grondwatermodel.
Hierbij werd, zowel in ruimte als in tijd, van een grof en grootschalig
model naar een gedetailleerd en kleinschalig model toegewerkt.
De grootschalige modelberekeningen dienden ertoe de regionale
geohydrologische situaties voor, tijdens en na de uitvoering van
het Grensmaasplan in kaart te brengen. De gedetailleerde berekeningen
waren nodig om - op nagenoeg perceelsniveau - de grondwaterstanden
en -stroming tijdens de uitvoering van het project te bepalen,
zodat schade aan gebouwen, natuur of landbouwgewassen voorkomen
of beperkt kan worden. In vergelijking met de huidige situatie
zijn de verwachte grondwaterstandsveranderingen tijdens de uitvoeringsfase
groter dan de veranderingen na de realisatie van het project.
Omdat de meeste activiteiten zowel in Nederland als België plaatsvinden,
is het Grensmaasproject een internationaal geöriënteerd project.
Een belangrijk deel van het project behelst het vertalen van maatschappelijke
aangelegenheden, zoals het aanpassen van een rivier ten behoeve
van hoogwaterveiligheid, naar hydraulische en geohydrologische
modellen.
Het Grensmaasproject illustreert dat zowel nu als in de komende
decaden - met het oog op toekomstige klimaatverandering - dit
soort modelleringen van bijzonder belang zijn in multidisciplinaire
projecten die zich concentreren op integraal en duurzaam waterbeheer.
|
|
|
 |
Retourbemaling en grondwaterverontreiniging |
|
| |
J. Van Steenwinkel,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken
|
|
In een stedelijke
omgeving wordt de interactie tussen grote bouwprojecten en verontreinigingen
stilaan onvermijdelijk. Bemaling- en retourbemaling kan een kostenbesparend
alternatief zijn voor een volledige isolatie van de bouwsite d.m.v.
diepe cement-bentonietwanden of slibwanden. De techniek is toegepast
bij het nieuwe gerechtsgebouw van Gent. Het project wordt toegelicht.
|
|
|
 |
Voorstelling van het koude-warmteopslagproject Kazerne Blairon in Turnhout |
|
| |
G. Draelants,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken |
|
IF Flanders heeft
in opdracht van Van Roey n.v. het koude-warmteopslagproject gerealiseerd
op “Campus Blairon” te Turnhout. Het betreft hier
een seizoenmatige koude-warmteopslag van 600 kW. De installatie
is in bedrijf sinds 2002. Het betreft een kantorencomplex op de
site van de voormalige kazerne Blairon. Het stadskantoor van de
stad Turnhout is momenteel eveneens aangesloten op deze koude-warmteopslag.
|
|
|
 |
Voorstelling van de analyse van een proefpomping/pompproef bij diverse Brouwerijen tijdens het in werking zijn van de installatie |
|
| |
Y. Meyus,
AGT nv, Adviesbureau inzake Grondwatertechnieken
|
|
Om de impakt van
belangrijke grondwaterwinningen in te schatten, dient een hydrogeologische
studie aan de hand van een grondwatermodel uitgevoerd te worden.
Hiervoor is een goede kennis van het lokale grondwaterstromingsysteem
en de hydraulische parameters van de ondergrond noodzakelijk.
Bij continu draaiende bedrijven is het uitvoeren van een pompproef
soms onmogelijk. Hier kan de analyse van een proefpomping de oplossing
bieden. Deze techniek werd met succes toegepast op de sites van
enkele brouwerijen.
|
|
|
 |
Bepaling en modellering van de biogeochemische processen die het gedrag van zware metalen in grondwater bepalen |
|
| |
P. Seuntjens (1), K. Vanbroekhoven (2), I. Joris (1), S. Van Roy (2), L. Diels (2)
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek - (1) Integrale Milieu Studies, Land en Water Management, (2) Milieu- en procestechnologie
|
|
Het gedrag van
zware metalen in grondwater is sterk afhankelijk van de biologische
en geochemische reacties in de aquifer. Deze processen bepalen
de fluxen van zware metalen in het bodem-grondwater-oppervlaktewater
continuum. In het kader van het Europese AQUATERRA project heeft
VITO het gedrag van zware metalen onder invloed van redoxgradiënten
in grondwater bestudeerd en gemodelleerd. AQUATERRA is een geïntegreerd
project gefinancieerd vanuit de EU (6de kader programma) met als
doelstelling een beter inzicht te verschaffen in het rivier-sediment-bodem-grondwater
systeem niet enkel in de tijd (korte en lange termijn) maar ook
vanuit lokale schaal tot bekken schaal. Het project beoogt verder
om een wetenschappelijke basis te leggen om rivier bekkens te
managen en specifieke tools te ontwikkelen om de water en bodem
kwaliteit op te volgen. Om de verschillende objectieven te behalen,
werden 10 subprojecten gedefinieerd waarbij 5 verschillende Europese
rivier bekkens bestudeerd worden inclusief de Maas. In het specifieke
subproject Biogeochem wordt ernaar gestreefd om zowel voor organische
als anorganische polluenten de sleutel biogeochemische processen
te identificeren en kwantificeren en de impact van klimaatsveranderingen
op deze processen in kaart te brengen.
In het kader van dit project, bestudeert VITO het gedrag van zware
metalen onder invloed van redoxgradiënten in grondwater.
Specifiek werden 2 sites geselecteerd, namelijk een site nabij
Flemalle (Luik) waar een kolen fabriek gelegen was en een site
nabij Dommel, een zijrivier van de Maas gelegen in een industriële
zone met Zn productie. Om de interacties te begrijpen tussen de
biologische en chemische processen onder verschillende redox condities
in de verzadigde zone werd een serie batch testen uitgevoerd met
wijzigende concentraties redox acceptoren (zuurstof, nitraat en
sulfaat). Uit de studie blijkt dat in situ vastlegging van zware
metalen door doseren van een koolstofbron mogelijk is, maar sterk
afhangt van de samenstelling van het grondwater en de aquifer.
Waar condities voor Dommel aantonen dat denitrificatie het belangrijkste
microbieel proces is dat plaatsvindt in aanwezigheid van koolstofbron,
blijkt voor Flemalle dat sulfaat reductie het dominante proces
is en dus ook de grootste impact heeft op gedrag namelijk immobilisatie
van metalen.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Grondwatersystemen en grondwaterlichamen in Vlaanderen als leidraad voor het primair meetnet van de VMM, afdeling Water |
|
| |
C. Slenter,
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
|
|
Het kwantiteitsmeetnet
of Primair meetnet is al in uitbouw sinds de jaren ’70.
Het is door de jaren heen steeds het meetnet geweest in het beheer
van de federale of gewestelijke overheid bevoegd voor het grondwaterbeheer
en wordt gebruikt om de regionale grondwaterkwantiteit te monitoren.
De definitie van regionale grondwaterstand is mettertijd echter,
door hernieuwende inzichten, kennis en lokale of internationale
wetgeving aangepast.
Een overzicht zal gegeven worden over de hydrogeologische opbouw
van Vlaanderen, met speciale aandacht voor de HCOV-codering en
de afbakening van 6 grondwatersystemen en 42 grondwaterlichamen.
De evolutie van de grondwatermeetnetten is zwaar beïnvloed
door deze recente onderverdeling van Vlaanderen, geïnspireerd
door de Kaderrichtlijn Water.
|
|
|
 |
De monitoring van stijghoogtes als basis voor de beoordeling van de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen |
|
| |
J. November,
Vlaams Milieumaatschappij, afdeling Water
|
|
Het Primair grondwatermeetnet
bestaat uit een beperkte reeks peilputten, gelegen zoveel mogelijk
buiten de antropogene invloedssfeer en zodanig geselecteerd dat
zij gegevens verstrekken die representatief zijn voor een (qua
ontginning) belangrijk grondwaterlichaam of groep van grondwaterlichamen.
De exploitatie van dit primaire niveau stelt zich tot doel de
basistoestand ervan te bepalen en de ‘natuurlijke’
evolutie in de tijd te volgen. Dit niveau wordt uitgebouwd en
beheerd door de afdeling Water van de Vlaamse Milieumaatschappij.
De peilmetingen worden minimaal éénmaal per maand
door aangeduide technici van de Afdeling Water uitgevoerd. De
uitbreiding van het meetnet met ca. 122 meetlocaties bevindt zich
in zijn eindfase. Deze uitbreiding is het resultaat van een globale
doorlichting en onderhoudscampagne (2002-2004). Het totale meetnet
zal dan beschikken over ca. 860 filters voor kwantiteitsmetingen.
Deze zullen in de toekomst verder maandelijks worden opgemeten.
In een 20-tal geselecteerde filters zal er in een eerste testfase
van enkele jaren gewerkt worden met digitale registratieapparatuur.
De meetfrequentie zal hierdoor worden verhoogd op de locaties
waar dit noodzakelijk is. Te ver afgelegen locaties komen ook
voor deze automatisatie in aanmerking. Deze testfase zal dan resulteren
in een verdere uitwerking van de digitale metingen ten einde het
gehele meetnet zo efficiënt mogelijk te gebruiken rekening
houdend met de ter beschikking zijnde middelen.
Op basis van de resultaten van dit kwantiteitsmeetnet wordt een
beoordeling van de kwantitatieve toestand van grondwatersystemen
en –lichamen gegeven, zowel op korte (3 jaar) als op lange
(10 jaar) termijn. Deze beoordeling, in combinatie met de achtergrondkennis
van de systemen en lichamen en de grondwatermodellen moet een
inschatting geven op welke manier en waar de operationele monitoring
voor het kwantitatieve aspect in de toekomst moet uitgevoerd worden
zodat kan ingeschat worden waar en hoe de doelstellingen van de
kaderrichtlijn Water kunnen/moeten gehaald worden.
|
|
|
 |
Hydrologische monitoring in natuurgebieden |
|
| |
P. De Becker,
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
|
|
Waterhuishouding
is bepalend voor potenties van vochtige of natte natuurgebieden.
Reeds geruime tijd worden in Vlaanderen problemen gesignaleerd
van grondwatertafeldalingen en standplaatsverdroging. Het opvolgen
van de grondwatersituatie is dus noodzakelijk. Daartegenover staat
dat in Vlaanderen zeer vaak te weinig gegevens beschikbaar zijn.
Dit project probeert deze leemte in te vullen.
De specifieke doelstellingen zijn
- stimuleren van de uitbouw van hydrologische meetnetten in natuurgebieden
- coördinatie van grondwatermonitoring in natuurgebieden
- advies aan natuurbeheerders (privaat/openbaar) bij de uitbouw
van grondwatermeetnetten
- centraliseren van beschikbare gegevens m.b.t. grondwater in
natuurgebieden een databank
- aansluiten van deze databank op Databank Ondergrond Vlaanderen
Het uitvoeringsbesluit van het natuurdecreet voorziet voor erkende
terreinbeherende verenigingen een vergoeding voor het uitvoeren
van een beperkt monitoringsprogramma. Via studiedagen en rechtstreekse
contacten worden terreinbeheerders aangemoedigd om piëzometers
te plaatsen en de peilen op te meten. Het INBO verleent advies
bij de keuze van de locaties. De gebiedsverantwoordelijken bezorgen
hun metingen aan het INBO waar ze verbeterd worden en opgeslagen
in WATINA. Dit initiatief loopt eveneens voor de Vlaamse reservaten
en voor de natuurontwikkelingsprojecten. Metingen die in het kader
van (eco-) hydrologische studies worden uitgevoerd, worden aan
de databank toegevoegd. De chemie van het grondwater wordt geanalyseerd
volgens een standaard methode van het INBO.
De gegevens van de laatste 10 jaar, werden samengebracht in een
access-databank (WATINA). Begin 2004 werd een overzichtsrapport
gepubliceerd met de gekende peilmetingen tot einde 2001. De databank
werd aangepast voor een volledige multi-user omgeving. Het aanvullen
en updaten van de database met nieuwe metingen of het toevoegen
van nieuw ontdekte meetreeksen is een permanente taak die ook
in 2006 doorgaat. Voor elk reservaat wordt een selectie van maximaal
drie tijdreeksen van grondwaterpeilen doorgegeven aan de Databank
Ondergrond Vlaanderen (DOV). Deze databank is voor het publiek
toegankelijk via een internet site.
Tot 2005 kon de WATINA-databank worden uitgebreid tot 244 bemeten
natuurgebieden, 4900 meetlocaties (piëzometers en peilschalen),
240.000 peilmetingen en 5600 chemische analysen. Steeds meer worden
door studiebureau’s en onderzoeksinstellingen gegevens opgevraagd
als referentiemateriaal of ijkgegevens voor modellen.
Een eerste aanzet werd genomen tot het uitbouwen van een gedeeltelijk
geautomatiseerd meetnet in een reeks referentiesites, eigendom
van Vlaamse overheid of van terreinbeherende verenigingen. Daartoe
wordt gebruik gemaakt van hydrostatische druksondes of zgn. “divers”.
|
|
|
 |
Filtertechniek voor het kwantificeren van parasitaire debieten in riolen |
|
| |
G. Vaes (1) en P. Willems (2)
(1) HydroScan NV
(2) K.U.Leuven, Laboratorium voor Hydraulica
|
|
In Vlaanderen
bestaan de meeste rioleringssystemen uit gemengde riolen, waarin
regenwater en afvalwater samen worden afgevoerd. In deze leidingen
komt echter niet enkel neerslagafvoer terecht. Ook andere bronnen
hebben een bijdrage tot de afgevoerde debieten, zoals infiltrerend
grondwater, drainagewater, aangesloten beken, enz. Deze stromen
van relatief proper water komen ook in de rioolwaterzuiveringsinstallatie
terecht, waardoor het influent verdund wordt en het zuiveringsrendement
daalt.
Wanneer de tijdreeks van het influent van de waterzuiveringsinstallatie
geanalyseerd wordt, kunnen verschillende deelstromen met een verschillende
reactietijd onderscheiden worden, omdat deze deelstromen een sterk
verschillende reactietijd hebben. De gebruikte filter is een uitbreiding
van de Chapmanfilter. Deze techniek werd toegepast op de influentdebieten
van verschillende RWZI’s (rioolwaterzuiveringsinstallaties).
Om de filtertechniek verder te vereenvoudigen, werd een eerste-orde
benadering voor de filter ontwikkeld. Deze eerste-orde benadering
brengt enkel de recessietijd van de stroming in rekening en gebruikt
bovendien een lineaire benadering van deze (exponentiële)
recessie. Deze eerste-orde benadering geeft goede resultaten:
op dagbasis zijn er soms wel significante verschillen met de meer
uitgebreide methode, maar op maandbasis of jaarbasis zijn de verschillen
verwaarloosbaar.
Klik hier voor volledig artikel
[hoge
resolutie] [lage
resolutie] |
|
|
 |
Resultaten in vitro toxiciteitstesten op grondwaters in woonwijken |
|
| |
R. Weltens, C. Vangenechten, P. Berckmans, D. Ooms, J. Maes, G. Jacobs, M.P. Goyvaerts,
Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek
|
|
In dit pilootproject
worden de mogelijkheden van het gebruik van directe toxiciteitsmetingen
(in vitro testen met relevante humaan-farmacologische eindpunten)
in de beoordeling van de grondwaterkwaliteit afgetast.
De hypothese is dat een goed ontwikkelde testbatterij op termijn
een belangrijke rol kan spelen bij de beoordelingsstrategie van
complex vervuilde terreinen, in situaties waar de klassieke methode
(bodemsaneringsnormen) niet volstaat.
De gebruikte in vitro testen zijn farmacologisch onderbouwd en
worden bij de ontwikkeling van nieuwe producten routinematig gebruikt
om allerhande ongewenste of gewenste effecten reeds tijdens de
productontwikkeling op te sporen. De uitdaging van dit project
ligt in de nieuwe toepassing van deze testen op milieustalen.
Er werd gekozen voor het gebruik van 5 in vitro testen, relevant
voor de menselijke gezondheid: cytotoxiciteit, immunologische
activiteit (opregulatie van TNF alfa), cholinesterase-inhibitie,
hormoonverstoring en genotoxiciteit.
Er werden 3 terreinen geselecteerd op basis van hun historische
vervuiling. Op elk terrein werden 3 staalnamepunten gekozen die
duidelijk vervuild waren tot boven de bodemsaneringsnormen, en
telkens 1 staalnamepunt dat chemisch niet als duidelijk vervuild
werd geklasseerd (alle gemeten parameters beneden de bodemsaneringsnormen).
Om de kwaliteit van de batterij te beoordelen werden volgende
criteria gebruikt:
a) de batterij moet chemisch vervuilde stalen “herkennen”
(de batterij moet een algemene sensor zijn voor de aanwezigheid
van - een mengsel van - schadelijke stoffen)
b) in stalen waarin chemisch geïdentificeerde stoffen voorkomen
met een specifiek werkingsmechanisme, moet het overeenkomstig
biologisch antwoord gemeten worden
c) de batterij moet een meerwaarde bieden
De resultaten tonen aan dat de batterij inderdaad vervuilde stalen
herkent: 8 van de 9 chemisch vervuilde stalen hebben ook een biologisch
effect. De enige vals negatieve kan eenvoudig verklaard worden
door de lage biobeschikbaarheid van de betrokken component (totale
versus vrije cyanide).
De aanwezigheid van chemische stoffen met een gekend werkingsmechanisme
werd echter niet altijd aangetoond. Dit kan mogelijk verklaard
worden door het verlies van een aantal stoffen door de staalbehandeling
(filtratie, extractiemethoden).
De meerwaarde blijkt uit het feit dat de biotesten de aanwezigheid
van zgn. verborgen stoffen (i.e. stoffen die chemisch niet standaard
worden gemeten) of mengseleffecten aantonen.
a) 2 van de 3 chemisch niet vervuilde stalen, veroorzaken bv.
toch een biologische respons. Dit impliceert dat er zich in deze
stalen stoffen bevinden die biologische effecten kunnen veroorzaken
en geïdentificeerd moeten worden om de risico-analyse te
kunnen uitvoeren. De kans dat het om vals positieven gaat is gering
door de hoge specificiteit van de bioassays.
b) hormonale verstoorders worden in grondwater niet standaard
chemisch opgespoord en er zijn ook geen normen voorhanden voor
deze stoffen. In deze studie werd echter de aanwezigheid van hormonaal
actieve stoffen vrij vaak aangetoond in de onderzochte grondwaterstalen.
Het is belangrijk hier verder onderzoek naar uit te voeren om
het risico voor de menselijke gezondheid te kunnen inschatten.
c) Het blijkt meestal niet mogelijk om de waargenomen biologische
effecten eenvoudig te verklaren door de aanwezigheid van de componenten
die chemisch gemeten werden. Er moet worden opgemerkt dat voor
de meeste stalen de chemische en biologische metingen weliswaar
op dezelfde locatie werden uitgevoerd, maar niet op hetzelfde
staal (chemische metingen waren soms meer dan 1 jaar oud) . Dit
bemoeilijkt de vergelijking. Bovendien spelen ook andere fenomenen
zoals mengseltoxiciteit en biobeschikbaarheid in milieustalen
wellicht een rol. Bovendien is het gebruikte referentiekader om
vervuiling te herkennen (bodemsaneringsnormen) niet altijd vergelijkbaar
met effectconcentraties voor de gebruikte biotesten.
Deze pilootexperimenten hebben aangetoond waar de biologische
testbatterij nog verder geoptimaliseerd moet worden.
- In de experimenten werden standaard-extractiemethoden gebruikt,
maar het is gebleken dat een combinatie van extractiemethoden
nodig is om bv. ook effecten door vluchtige stoffen en metalen
te kunnen opsporen bij o.a. de genotoxiciteitstest.
- verdere optimalisatie van een aantal testmethoden is nodig:
bv. de genotoxiciteit van metabolieten moet worden meegenomen
in de evaluatie. Dit kan door de metabolisatie in vitro na te
bootsen met het verteringsenzym S9.
- het is in deze studie gebleken dat grondwaterstalen vaak bacterieel
geïnfecteerd zijn en daardoor positief testen in de TNF assay
door de aanwezigheid van bacteriële endotoxines. Het is nuttig
om de grondwaters die positief testen in de TNF assay automatisch
te screenen op de aanwezigheid van endotoxines (met bestaande
testkits).
|
|
|
|
|