WATER 30 - "Mogelijkheden voor ecologisch herstel van watersystemen", 8 maart 2007
 
 

v.z.w. WATER
Broechemsesteenweg 165
2531 Boechout
tel.: 03/475 09 66 en
0486 939 025
fax: 03/475 09 66
e-mail:
claire.bruyneel@telenet.be
website:
www.tijdschriftwater.be



Nieuwsbrief over integraal waterbeleid in samenwerking met de CIW




Inhoud  
 
Voorwoord

Studiedag: "Mogelijkheden voor ecologisch herstel van watersystemen"

 
  S. Declerck  

Vlaanderen heeft sedert de jaren '50 een sterke intensivering van het landgebruik gekend. Dit ging gepaard met de uitbreiding van het wegennetwerk, woon-en industriegebieden, en met een steeds intensiever wordende landbouw. Deze ontwikkelingen hebben geresulteerd in een grote druk op onze zoetwatersystemen en hebben geleid tot problemen als eutrofiëring, verdroging, verzuring, habitatversnippering en een toenemende bedreiging van tal van aquatische plant- en diersoorten.

De laatste decennia werden gekenmerkt door een toenemende bewustwording van deze problematiek, zowel bij het brede publiek, als bij niet-goevernementele organisaties, onderzoeksinstanties en beleidsmakers. Dit heeft tot een gestage toename geleid aan inspanningen met het herstel van beschadigde systemen tot doel. Hoewel deze inspanningen ongetwijfeld reeds in belangrijke mate hebben bijgedragen tot verbeteringen op het terrein, is een gebrek aan wetenschappelijke begeleiding bij vele herstelprojecten een veel voorkomend euvel. Talrijke herstelmaatregelen worden getroffen zonder dat daar een duidelijke omschrijving van doelstellingen aan voorafgaat of zonder dat er een grondige kennis van de uitgangssituatie voorhanden is. In vele gevallen ontbreekt ook een volgehouden en gestandaardiseerde opvolging. Dit bemoeilijkt een onderbouwde evaluatie, wat een optimalisatie van de technieken en een verhoogde doeltreffendheid van toekomstige maatregelen in de weg staat.

De studiedag 'Mogelijkheden voor ecologisch herstel van watersystemen' toonde niettemin op overtuigende manier aan dat Vlaanderen over een ruime expertise met betrekking tot het herstel van zoetwatersystemen beschikt. Dit volume, dat een neerslag van deze studiedag geeft, biedt een mooie staalkaart van wat in Vlaanderen aan kennis en ervaring voorhanden is. De diversiteit aan onderwerpen is groot en heeft zowel betrekking op stilstaande als stromende systemen. We hopen dat deze expertise in de toekomst volop zal benut worden als ondersteuning van een doelgericht en efficiënt natuurherstel- en natuurontwikkelingsbeleid.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

De sturende rol van rivierpeilfluctuaties voor successie van waterplanten in uiterwaardplassen  
  G.J. van Geest
Bureau Waardenburg
 

In veel watersystemen in West-Europa is het waterpeil sterk gestabiliseerd. De uiterwaarden langs grote rivieren vormen hierop een positieve uitzondering. In de Nederlandse uiterwaarden langs de Rijn liggen veel plassen met een fluctuerend waterpeil. Bij hoog water overstromen deze plassen met rivierwater, terwijl lage rivierpeilen in (gedeeltelijke) droogval van deze plassen kan resulteren.

Peilfluctuaties in de rivier spelen een belangrijke rol voor de ontwikkeling van waterplanten in deze plassen. Het waterpeil van plassen met een zandige bodem volgde in sterke mate de peilfluctuaties van de rivier. Plassen met kleibodems volgden deze peilfluctuaties veel minder, omdat klei veel minder doorlatend is voor water dan zand. Bij iedere rivieroverstroming sedimenteren kleideeltjes op het sediment van de plas, die gaandeweg tot een kleilaag accumuleren. Deze kleilaag vermindert de doorlaatbaarheid van de bodem, waardoor de peildynamiek afneemt bij een toenemende ouderdom van de plas. Hierdoor vallen jonge plassen wel met enige regelmaat droog, terwijl dit bij oude plassen zelden het geval is.

De afnemende kans op droogval bij een toenemende ouderdom van de plas bepaalde in sterke mate de vegetatiesuccessie: in jonge (< 30 jaar), regelmatig droogvallende plassen groeide veel kranswieren (Chara), terwijl in oudere plassen (> 100 jaar) vaak Gele plomp domineerde.

Naast deze lange termijn trend werd de vegetatiesamenstelling ook in sterke mate bepaald door jaarlijkse verschillen in peilfluctuaties van de Rijn. In sommige jaren (met een laag rivierpeil) viel namelijk een groot aantal plassen droog, terwijl dit in andere jaren nauwelijks gebeurde. Uit de resultaten bleek dat tijdelijke droogval van plassen tot een sterke toename van ondergedoken waterplanten leidde. In de presentatie wordt nader ingegaan op de mogelijkheden van periodieke droogval als herstelmaatregel voor waterplanten in meren en plassen.

Geëutrofieerde vijvers en meren: ecologische achtergronden en beheer  
  S. Declerck
Katholieke Universiteit Leuven, Laboratorium voor Aquatische Ecologie
 

Ondiepe meren waren vroeger bekend voor hun rijke vegetatie van ondergedoken waterplanten. Deze rijke onderwatervegetatie is in de loop van de vorige eeuw in vrijwel alle grote meren verloren gegaan. Het intensief gebruik van meststoffen in de landbouw en de verhoogde lozing van huishoudelijk afvalwater in de loop van de 20° eeuw heeft tot een sterke toename van nutriënten in de Vlaamse oppervlaktewateren geleid. Dit heeft in vele vijvers en meren gezorgd voor een omslag naar troebel water, met de verdwijning van waterplantenvegetaties en verschillende daarmee geassocieerde groepen van aquatische organismen tot gevolg. In dit artikel wordt het fundamenteel verschil tussen heldere, door waterplanten gedomineerde en troebele, vegetatieloze systemen toegelicht. Hierbij wordt een overzicht gegeven van de voornaamste factoren en processen die bepalend zijn voor de structuur en dynamiek van zoetwatergemeenschappen. Daarna wordt ingegaan op het belang van ondergedoken vegetatie voor de soortenrijkdom en natuurwaarde van aquatische gemeenschappen. Tenslotte wordt aangegeven welke beheersmaatregelen kunnen getroffen worden teneinde een onderwatervegetatie te bewerkstelligen.

Het effect van vijverdroogzetting op de macroinvertebratengemeenschap in ondiepe, verbonden vijvers  
  F. Van de Meutter en L. De Meester
Katholieke Universiteit Leuven, Laboratorium voor Aquatische Ecologie
 

Het overgrote deel van de West-Europese vijvers en meren kennen een menselijke origine. Vaak zijn ze geconcipieerd als afdammingen van beek- of riviervalleien waardoor ketens van verbonden vijvers ontstonden. Een belangrijk practisch voordeel van dit type vijvers is dat ze een weinig arbeidsintensief waterpeilbeheer toelaten door directe manipulatie van de toevoer en/of afvoer. Een groot deel van deze vijvers was ook in gebruik als viskweekvijver, waardoor ze cyclisch leeggezet werden voor het afvangen van de vis. Deze studie wilde nagaan wat het effect is van dergelijk drainagebeheer op de aquatische macroinvertebratenfauna aan de hand van een drie jaar durende monitoring na leegzetting en hervulling van de vijverfauna van het natuurreservaat ‘De Maten’. In tegenstelling tot bijvoorbeeld zoöplankton en waterplanten bezitten macroinvertebraten doorgaans geen droogteresistente ruststadia. Toch bleek dat macroinvertebratengemeenschappen erg snel herstelden van de leegzettingen, zowel actief vliegende soorten, als soorten die niet capabel zijn tot dispersie op eigen kracht. We concluderen hieruit dat, doordat hervullingen van vijvers gebeuren door de instroom van water uit andere vijvers, en doordat vijvers ook nadien nog verbonden blijven, er geen limitatie tot herkolonisatie bestaat voor de lokale fauna. Een evidente voorwaarde lijkt wel dat leegzettingen beredeneerd asynchroon gebeuren, zodat steeds bronpopulaties voor herkolonisatie beschikbaar blijven. Verder vonden we niet enkel een snel herstel van de oorsponkelijk fauna, maar eveneens een aanzienlijke toename in de abundanties én een verrijking voor elk van drie faunistische groepen die in meer detail bestudeerd werden: waterkevers, waterwantsen en libellen. Vijverleegzettingen brengen, naast de directe nadelige invloed op macroinvertebraten, belangrijke veranderingen voor de vijveromgeving met zich mee, zoals een compactatie en oxidatie van het sediment waardoor waterplanten sterk toenemen en het verwijderen van vis, zodat de vijverhabitats plots geschikt worden voor visgevoelige en waterplant-geassocieerde soorten. Nadere studie bevestigde dat inderdaad de visdensiteit sterk afnam na de leegzetting, en dat vooral visgevoelige soorten de vijvers koloniseerden. Tenslotte lijken onze resultaten te wijzen op een snelle terugval naar de oorspronkelijke toestand: vis neemt snel toe, waterplanten verdwijnen weer en ook de nieuw koloniserende soorten verdwijnen weer. Vermoedelijk speelde ook hier de verbondenheid tussen de vijvers een grote rol, doordat zo vis snel weer herkoloniseerde en voedselrijk water de vijver aanrijkte. Net om deze nadelge gevolgen van verbondenheid tussen vijvers tegen te gaan, lijkt een verderzetting van leeglaatbeheer in de Vlaamse vijverreservaten een must.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Interacties tussen macrofyten en fytoplankton: een overzicht van het onderzoek in Vlaanderen en perspectieven voor het beheer van vijvers en meren  
  K. Muylaert (1), S. Declerck (2), M. Vanderstukken (1), J. Van Wichelen (3), L. De Meester (2), W. Vyverman (3)
(1) Katholieke Universiteit Leuven - Campus Kortrijk, Lab. Biologie
(2) Katholieke Universiteit Leuven, Lab. Aquatische Ecologie
(3) Universiteit Gent, Lab. Protistologie & Aquatische Ecologie
 

Het is sinds lang gekend dat waterplanten vaak geassocieerd zijn met een lage fytoplanktonbiomassa. Waterplanten worden daarom ingezet bij het bestrijden van eutrofiëring in meren en het voorkomen van algenbloeien. Over de mechanismen waarmee waterplanten de groei van fytoplankton onderdrukken bestaat echter nog onduidelijkheid. Waterplanten kunnen fytoplankton rechtstreeks onderdrukken via competitie voor nutriënten of via allelopathische interacties. Anderzijds kunnen ze een indirect effect uitoefen op fytoplankton door een schuilplaats te bieden voor zoöplankton (de voornaamste grazers van fytoplankton) of door de stabiliteit van de waterkolom te verhogen (wat resulteert in een verhoogde sedimentatie van fytoplankton). In deze presentatie wordt een overzicht gegeven van het onderzoek dat in Vlaanderen werd uitgevoerd naar de interactie tussen waterplanten en fytoplankton. Dit onderzoek omvat een inventarisatie van > 30 meren, een vergelijking van de fytoplanktonsuccessie in meren met en zonder waterplanten en een uitgebreid mesocosmosexperimenten. De aandacht ging hierbij naar uit naar het effect dat waterplanten uitoefenen op zowel de biomassa als de diversiteit van het fytoplankton.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Ecologisch herstel van stilstaande wateren in Vlaanderen  
  L. Denys
Instituut Voor Natuur- en Bosonderzoek
 

De jongste decennia zijn in Vlaanderen bij meer dan 160 stilstaande wateren, poelen niet inbegrepen, een of meerdere maatregelen genomen met het oog op ecologisch herstel. Dergelijke maatregelen zijn heden het uithangbord van meerdere grotere natuurontwikkelingsprojecten. Desondanks blijft het moeilijk om een balans van al deze activiteiten op te maken. Vertrekkend vanuit een overzichtsbeeld van de huidige ecologische toestand en historische ontwikkelingen die hiertoe geleid hebben, wordt de noodzaak van herstel geïllustreerd: een aanzienlijke meerderheid van onze stilstaande wateren vertoont immers belangrijke dysfuncties waardoor, ondermeer, natuurwaarden beperkt blijven en kwaliteitsdoelstellingen niet gerealiseerd worden. Vervolgens wordt, zonder aanspraak op volledigheid, ingegaan op enkele aspecten en mogelijke knelpunten van deze herstelproblematiek. Welke maatregelen worden veelvuldig toegepast? Waarvoor dient men (meer) oog te hebben bij de opvolging en beoordeling van genomen maatregelen? Wat hypothekeert mogelijk de duurzaamheid van behaalde resultaten? Dit leidt tot de vaststelling dat een meer gestructureerde en onderbouwde aanpak gestimuleerd dient te worden, terwijl een opmerkelijke verbetering van de algemene milieukwaliteit een voorwaarde blijft voor duurzame resultaten.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Vennen in de Antwerpse Noorderkempen: perspectieven op potenties  
  L. Denys en G. De Blust
Instituut Voor Natuur- en Bosonderzoek
 

Vennen worden 'hersteld'. De ingrepen die daarvoor gebeuren, verschillen naargelang de mate waarin ze het aanwezige venecosysteem veranderen: het sturen van waterstand en -schommelingen als reactie op verdroging, het reactiveren van windwerking na ingrijpende verbossing, de invloed van 'systeemvreemd' water verhogen of beperken om de bufferingstoestand te beïnvloeden of eutrofiëring te voorkomen,…, of - nog meer ingrijpend - het volledige ven, met inbegrip van vorm, substraat- en waterkwaliteit en zijn omgeving wijzigen. Waarvoor men kiest zal afhangen van de toestand (fysisch-chemisch en biotisch) waarin het ven verkeert, de (gekende) beïnvloedende factoren en processen en de toestand die men nastreeft, het doel. Dit laatste is meestal gebaseerd op een (min of meer dynamisch) referentiebeeld dat men voor ogen heeft. Het kan een geografische (ruimtelijke) referentie zijn - bestaande vennen met de gewenste eigenschappen in een vergelijkbare streek - of een historische referentie - terug naar een gekende vroegere toestand van het ven - of een theoretische, potentiële referentie, waarbij kenmerken aan een gewenst ventype nagestreefd worden, onafgezien van het feit of dit in de regio voorkomt of voorgekomen heeft. Wil men de potenties voor herstel enigszins inschatten, dan is kennis over de geografische spreiding en de evolutie in de tijd van de referentie nodig.

Voor de Noorderkempen vergelijken we daartoe de venontwikkeling in twee regio's (Kalmthout en Turnhout). In beide gebieden wordt veelal eenzelfde referentietoestand bij herstel nagestreefd wat vegetatie betreft: dit van de voedselarme, zwak gebufferde vennen. Onderzoek van de diatomeeënflora op historisch materiaal (bv. oude sedimentmonsters) laat toe de historische referentietoestand te beoordelen. Hieruit blijkt dat voor 1940 rond Kalmthout veeleer uitgesproken zure, dystrofe, vennen voorkwamen, terwijl er ten noorden van Turnhout veeleer sprake was van zwak zuur oppervlaktewater. Hierbij aansluitend verloopt ook de verzuringsgeschiedenis o.i.v. atmosferische depositie in beide gebieden anders. Dit duidt op een grotere geografisch-ecologische verscheidenheid dan louter op basis van de flora, die in strerke mate doorweegt in het referentiebeeld, verwacht zou worden. Nader onderzoek van de recente ontwikkeling van 'referentievennen' in deze gebieden, de Biezenkuilen (Kalmthout) en het Zwart Water (Turnhout), zet de betrekkelijkheid van het referentiebeeld in het daglicht. In het eerste geval blijkt heideontginning in de omgeving en een sterkere buffering van het venwater die hieruit voortvloeit de tijdelijke aanwezigheid en/of uitbreiding van de doelvegetatie te verklaren. Het Zwart Water toont echter een meer geleidelijke evolutie en een permanente, zij het afnemende, aanwezigheid van het doelvegetatiebeeld. Blijkbaar is hier dus sprake van een andere ontwikkelingshistoriek.

Dergelijke, meer gedetailleerde kennis laat toe de potenties voor 'herstel' juister in te schatten en laat, in samenhang met systeemkennis over het ven in de ruimere omgeving, toe om de keuze van herstelmaatregelen en het eventueel noodzakelijke opvolgbeheer beter te onderbouwen.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Evaluatie van herstelmaatregelen in de Kraenepoel (Aalter)  
  J. Van Wichelen (1) en G. Louette (2)
(1) Universiteit Gent,Laboratorium voor Protistologie en Aquatische Ecologie
(2) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

Tijdens de laatste decennia is de natuurwaarde van de Kraenepoel (22 ha) in snel tempo afgenomen. Daar waar de vijver in het begin van de 20ste eeuw een oligotroof karakter had en een rijke Littorelletea vegetatie herbergde, was de toestand in de jaren negentig van vorige eeuw ronduit dramatisch. Een hoge nutriëntenbelasting alsook ongebalanceerde visbestanden leidden ertoe dat regelmatig fytoplanktonbloeien optraden, en de vijver in de stabiele troebele, en dus ecologisch oninteressante toestand verkeerde. Om de natuurwaarde van het systeem te herstellen, werden in het kader van een ambitieus herstelproject verschillende ingrepen uitgevoerd. Deze concentreerden zich op het verlagen van de nutriëntenbelasting, en wijzigingen in het functioneren van het aquatisch voedselweb (biomanipulatie). Het systeem werd hydrologisch geïsoleerd (omleiden van het inkomende nutriëntrijke beekje), de sedimentlaag werd afgegraven, en het visbestand werd volledig verwijderd waarna piscivore vis werd uitgezet. De herstelmaatregelen leidden tot een substantiële verbetering van de natuurwaarde van het systeem. De vijver sloeg om naar de heldere toestand, de nutriëntenconcentraties daalden sterk, een toename in de verhouding tussen zoöplankton en fytoplankton werd vastgesteld, en verschillende soorten van de oeverkruidklasse namen in bedekkingsgraad toe. Bovendien stelden we vast dat de soortenrijkdom en gemeenschapsstructuur van de watervlooienfauna na de ingrepen overeenstemde met deze uit historische tijden (ca. 1930). Deze waarnemingen wijzen erop dat, wanneer gepaste maatregelen worden genomen, de natuurwaarde zich op relatief korte termijn kan herstellen.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Ecologisch herstel van moeras en plas in de Zuiderkempen: van verwachtingen tot eerste resultaten  
  P. De Becker (1), L. Denys (1), J. Packet (1), O. Batelaan (2) en W. Mertens (1)
(1) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)
(2) Vrije Universiteit Brussel (VUB)
 

In het kader van een LIFE - Natuur project "Herstel van basenrijke moeras- en heide-ecosystemen in de Zuiderkempen" werd in 2005-6 door het INBO en in opdracht van vzw Natuurpunt-Beheer een ecohydrologische studie uitgevoerd in de natuurreservaten "de Langdonken" en "Goor-Asbroek" op grondgebied van de gemeenten Herselt, Aarschot en Westmeerbeek.

Eén van de eerste vaststellingen was dat er geen sprake kon zijn van basenrijk moeras (dat er historisch gezien meer dan waarschijnlijk ook nooit geweest is).

Desalniettemin zijn de natuurwaarden er potentieel en ten dele ook actueel nog bijzonder hoog met onder andere de laatste Vlaamse groeiplaats voor Spaanse ruiter, maar ook drijvende waterweegbree, ondergedoken moerasscherm en moerasweegbree.

Het gebied werd in het recente verleden, gedraineerd, bebost met Amerikaanse eik en Grove den, en er werden vele tientallen (meestal illegale) weekendverblijven annex visputjes aangelegd.

Toch is het gebied aangeduid als Europees Habitatrichtlijngebied (Natura 2000) en werden er tientallen hectaren van het gebied verworven door natuurpunt beheer. Met het Life project werd er gemikt op grootschalig herstel van de potentiële natuurwaarden in het gebied, alleen waren deze potenties niet altijd even goed bekend.

Voor het gebied werd een regionaal grondwaterstromingsmodel opgemaakt en werd uitgebreid gekeken naar de chemie van zowel het grond- als oppervlaktewater. Grote fluctuaties van zowel grond- als oppervlaktewater in dit gebied blijken "natuurlijk en normaal" te zijn.

Uit de ecohydrologische studie blijkt dat heel wat mogelijkheden zijn voor het herstel van droge en vochtige heide, vochtige heischrale graslanden, draadzeggevegetaties. De mogelijkheden voor het herstel van blauwgraslanden en galigaanvegetaties zijn eerder dubieus. Acute bedreigingen voor de herstelmogelijkheden van de doelvegetaties zijn niet te verwachten op korte termijn. Op middellange termijn zijn er waarschijnlijk problemen te verwachten van toenemende eutrofiëring van het grondwater. Dat voor wat terrestrische, grondwaterafhankelijke vegetaties betreft.

Als gevolg van de nu reeds uitgevoerde werken zijn tal van waterplantenvegetaties van stilstaande open wateren opnieuw opgedoken of zeer sterk uitgebreid. De belangrijkste bedreiging voor het voortbestaan van deze vegetaties is de nu al aanwezige eutrofiëring en risico's op overstroming met geëutrofieerd oppervlaktewater, maar ook het risico op verhoogde aanvoer van nutriënten via het grondwater. Verzuring is naar alle waarschijnlijkheid niet direct een probleem hier

Vanaf 1 april 2007 is er een INBO-rapport met de onderzoeksresultaten te verkrijgen: De Becker P.; Denys L.; Packet J.; Batelaan O. & Mertens W. 2006. Ecohydrologische studie LIFE Zuiderkempen (Hulshout, Herselt & Aarschot) in het kader van het LIFE-NATUURproject "herstel van basenrijke moeras- & heide-ecosystemen" in de Zuiderkempen. Rapport van het Instituut voor natuur- en Bosonderzoek, Brussel. INBO.R.2006.41. 96 pp +bijlagen)

Ecologisch herstel van waterlopen in Vlaanderen; hoever staan we ?  
  K. Van Looy, K. Martens, W. Huybrechts, K. Decleer, P. Meire, E. Van den Bergh en A. Schneiders  

Om het ecologisch herstel van onze waterlopen in beeld te brengen wordt eerst kort het kader geschetst van waterloopherstel, alvorens de huidige inspanningen tegen het licht te houden. Vertrekkende vanuit de verplichtingen en doelstellingen, wordt het ruimtelijke en tijdskader van waterloopherstel aangegeven.

Aan de hand van een inventarisatie en enquête bij waterbeheerders worden de momenteel gerealiseerde herstelprojecten beschreven naar hun doelstellingen en maatregelen, en worden succes- en faalfactoren aangegeven. Deze huidige situatie en de ambities opgenomen in de (deel-)bekkenbeheerplannen worden vergeleken met de inspanningen in andere landen om een evaluatie te kunnen geven van hoever we nu staan en hoever we zullen geraken met het huidige beleid.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Meer ruimte voor de rivier als herstelmaatregel voor het Schelde-estuarium: een historisch kader  
  F. Piesschaert (1), A. Van Braeckel (1), E. Van Den Bergh(1) en P. Meire (2)
(1) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
(2) Universiteit Antwerpen
 

In de verschillende ontwikkelingsvisies voor het Schelde-estuarium (Lange Termijnvisie, Ontwikkelingsschets 2010, natuurontwikkelingsplan) is het voorzien van meer ruimte voor de rivier opgenomen als belangrijkste herstelmaatregel. Dit wordt geconcretiseerd in het geactualiseerd Sigmaplan voor de veiligheid en natuurlijkheid in het Zeescheldebekken, dat tegen 2025 voorziet in de gefaseerde ontwikkeling van het 'meest wenselijk alternatief' (MWA). Langs het volledige Zeeschelde-traject en haar getijgebonden zijrivieren worden nieuwe wetlands en estuariene natuur (ontpolderingen en gebieden met gereduceerd getij) gecreëerd, die de ecologische draagkracht en de robuustheid van het estuarien systeem moeten herstellen.

De interactie tussen een rivier en haar vallei (laterale connectiviteit) is van kapitaal belang voor het ecologisch en fysisch functioneren van het systeem. Een overzicht van de antropogene ingrepen sinds 1850, toont echter aan hoe dit contact progressief verloren ging. Rechttrekkingen, normalisaties, afsluiten van beken en grachtenstelsels, manipulatie van het bovendebiet en infrastructuur- en baggerwerken wijzigden fundamenteel het aanzien en functioneren van het riviersysteem. Door inpolderingen en dijkverhogingen daalde het stroombergend vermogen dramatisch. Van de 4000 hectare die rond 1850 nog in mindere of meerdere mate onder invloed van de rivier stond, rest nog een schamele 700 hectare. Samen met de veranderingen in de Westerschelde zorgde dit voor een aanzienlijke wijziging van de getijkarakteristieken van de rivier. Het getij drong steeds verder landinwaarts, de getijamplitude nam toe en het gemiddeld hoog water steeg, op sommige plaatsen tot meer dan een meter.

De gevolgen voor de estuariene ecotopen zijn legio. Het aandeel ondiepe subtidale zones is sterk achteruit gegaan en het slikareaal is met 2/3 ingekrompen. De schorren raakten steeds meer geklemd tussen de starre begrenzing van de dijken en het stijgende water (coastal squeeze- effect). Verhoging van de schorren door sedimentatie, gecombineerd met de verdieping van de Schelde leidt tot een veel steiler dwarsprofiel en de daarmee gepaard gaande instabiliteit en erosie van het schor.

De enige manier om deze negatieve spiraal te doorbreken is het voorzien van voldoende ruimte. Met het MWA wordt hiertoe een belangrijke en noodzakelijke stap gezet. In vergelijking met de situatie in 1850 zal na realisatie van het MWA de stroombergende breedte in bepaalde zones groter zijn. Globaal gezien blijft het stroombergend oppervlak echter nog steeds beduidend lager dan anderhalve eeuw geleden. De kritische breedte die noodzakelijk is om een volledige slik en schorgradiënt in stand te houden, wordt slechts op een beperkt aantal locaties bereikt. De huidige getij-trends indachtig, is de volledige realisatie van het meest wenselijk alternatief dan ook het minimum minimorum om de ecologische waarde van het Schelde-estuarium te bestendigen.

Rivierherstel langs de Grensmaas: evalueren van beheer- en inrichtingvarianten vanuit een modelbenadering  
  A. Van Braeckel en K. Van Looy
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

In het Grensmaasproject wordt gestreefd naar meer bewegingsvrijheid voor de rivier. Hierbij neemt natuurontwikkeling een belangrijke plaats in bij het rivierherstel. Tal van mogelijke nieuwe herstelmaatregelen worden voorgesteld aan zowel Nederlandse als Vlaamse zijde.

Om een beoordeling te kunnen maken van de natuurpotenties bij deze verschillende inrichting- en beheervarianten, is gebruik gemaakt van een geïntegreerde, dynamische expertmodel. Dit model ECODYN is ontwikkeld om de invloed van rivierdynamiek en grondwaterdynamiek op de ecotoop-ontwikkeling zo goed mogelijk te kunnen inschatten. Daarnaast worden ook de effecten van extensieve begrazing in rekening gebracht. Hierdoor gaat ECODYN een stap verder dan modellen die de vegetatiedynamiek eenduidig koppelen aan één specifieke milieuvariabele. Functionele kenmerken van ecotopen en de dynamiek in tijd en ruimte van de Grensmaas, worden erin gecombineerd, zodat een voorspelling van de ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk wordt.

Aan de hand van deze ecotopenvoorspelling is het mogelijk de verschillende natuurpotenties te evalueren ten opzichte van een vastgesteld ecologische toetsingskader. Deze evaluatie gebeurd ondermeer op basis van doelsoorten in zowel tijd als ruimte in een begraasd en onbegraasd scenario. Knelpunten naar inrichting en beheer worden zo gelokaliseerd alsook de afstand tot het streefbeeld voor de Grensmaas.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

‘Natuurvriendelijke oevers : een meerwaarde voor natuur ?’
Ecologische evaluatie van NTMB-projecten langs de IJzer via monitoring
 
  A. De Rycke, I. Verelst en K.Decleer
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

Gedurende de laatste 10 jaar is door de Afdeling Bovenschelde van de N.V. Waterwegen en Zeekanaal NV (W&Z) op vele plaatsen langs de IJzer geïnvesteerd in diverse vormen van natuurvriendelijke oeververdediging en oeverinrichting. Sinds 2005 loopt op het INBO een evaluatie-onderzoek waarbij de ecologische kwaliteit van de verschillende verdedigingstechnieken en inrichtingswerken wordt onderzocht. Het doel van dit onderzoek is bruikbare kennis verschaffen bij het streven naar natuurvriendelijke oeverinrichtingsmethodes die tegelijk voldoen aan de lokale eisen van de waterwegbeheerder inzake scheepvaart en veiligheid.

In 2005 werd van start gegaan met de onderzoeksmodules stabiliteit, waterkwaliteit (in samenwerking met de VMM), vegetatie en broedvogels. Zowel klassieke oeververdedigingen zoals betonkopbalken, als nieuwe technieken volgens het principe van natuurtechnische milieubouw (doorgroeitegels, enkele palenrijen, houten dwarsplanken en vooroevers) werden een eerste maal geïnventariseerd. Natuurlijke, onverdedigde oevers worden gebruikt als referentie. Daarnaast werden ook enkele grotere oeverinrichtingswerken zoals brede oeverzones met dijkverplaatsing en paaiplaatsen onderzocht.

Deze lezing geeft een overzicht van de eerste resultaten van dit onderzoek, waarbij vooral het verschil tussen de verschillende technieken zal worden toegelicht en wat dit betekent voor de aanwezige levensgemeenschappen (vegetatie en broedvogels).

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Mogelijkheden voor structuurherstel van onbevaarbare waterlopen in Vlaanderen  
  K. Martens
Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Water
 

De afdeling Water maakte de voorbije jaren van 37 waterlopen een ecologische inventarisatie en visie op. Uit deze opdrachten blijkt dat de structuurkwaliteit van de meeste waterlopen niet goed is. 62 % van de waterlooptrajecten scoort ontoereikend of slecht, 31 % scoort matig. Slechts 7% van de trajecten heeft een goede hydromorfologische kwaliteit. Grootschalige rechttrekkingen uit het verleden zijn vaak de oorzaak van slechte scores. Een matige hydromorfologische kwaliteit wijst eerder op kleinere ingrepen zoals oeververdediging en intensieve ruimingen.

Een belangrijke taak van de waterbeheerder is dan ook het herstel van de structuurkwaliteit met als uiteindelijke doel het herstel van de biologische kwaliteitselementen. In de ecologische visies werden de mogelijkheden voor dit structuurherstel onderzocht. Het gebrek aan ruimte is één van de belangrijkste oorzaken van de afname van de structuurkwaliteit en meteen ook één van de belangrijkste randvoorwaarden bij de mogelijke herstelprojecten. Uit de visies blijkt echter dat de herstelpotenties op veel plaatsen groot zijn en in samenhang met andere doelstellingen gerealiseerd kunnen worden. Aan de hand van 2 uiteenlopende cases, één in een gebied waar landbouw de hoofddoelstelling in het valleigebied is en één waar natuur de hoofddoelstelling is, zal dit geïllustreerd worden.

Voor de Poperingevaart (bekken van de IJzer) zal structuurherstel gerealiseerd worden in het kader van een oeverzoneproject in een (intensief) landbouwgebied. De doelstellingen van het project zijn herstel van vrije vismigratie, buffering van de waterloop tov het omliggende landbouwgebied en structuurherstel.

Voor de Begijnenbeek (bekken van de Demer) zal structuurherstel gerealiseerd worden in het kader van de aanpak van de wateroverlast. In dit project worden vernatting, waterberging, herstel van vrije vismigratie en structuurherstel geïntegreerd in één project waarbij veiligheid van Diest en ecologisch herstel van het watersysteem in samenhang gerealiseerd kunnen worden.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Ecologisch herstel van twee nieuwe beektrajecten in de Voorste en Witte Nete in Dessel  
  A. De Vocht (1), B. Aubroeck (2) en P.T. Hendig (2)
(1) Universiteit Hasselt, Centrum voor Milieukunde
(2) Aeolus bvba
 

In 2004 en 2006 werden respectievelijk een traject van de Voorste en de Witte Nete in Dessel over een afstand van ca. 1.800 m omgelegd. In beide gevallen was de aanleiding het uitbaten van een natte zandwinning waar de oorspronkelijke loop doorheen stroomde. Het verleggen van een waterloop is een drastische ingreep, maar biedt ook mogelijkheden naar herstel toe. Zoals vele waterlopen in zandig Vlaanderen werden ook de Voorste en Witte Nete in het verleden rechtgetrokken. Het nieuwe tracé herstelt de landschappelijke meandering van de Voorste en Witte Nete zoals die op het einde van de 19e eeuw aanwezig was. Bij de aanleg werd getracht om de noodzakelijke habitats voor beekvissen en meer specifiek de doelsoorten Bermpje (Barbatula barbatulus), Kleine modderkruiper (Cobitis taenia) en Rivierdonderpad (Cottus periphretum) te behouden. De twee laatste soorten zijn Habitatrichtlijnsoorten.

Het ecologisch herstel van de Voorste Nete werd gedurende twee jaar opgevolgd (2005-2006). De morfologische evolutie (beekstructuur), de macrofyten, macro-invertebraten en visgemeenschap werden twee maal per jaar geïnventariseerd.

De resultaten tonen aan dat de nieuwe beekloop snel werd gekoloniseerd. De grootste morfologische veranderingen traden op in de eerste maanden na aanleg ten gevolge van hevige regenbuien. Uit de inventarisatie van de structuurkwaliteit blijkt dat later nog een beperkte toename heeft plaatsgevonden van de habitatdiversiteit. De water- en moerasplantengemeenschappen nam in diversiteit toe en meerdere waterplanten zijn waargenomen (waaronder 4 fonteinkruidsoorten). Het aandeel emergente vegetatie, bladeren en dood hout is in de monitoringperiode sterk toegenomen.

De macro-invertebratenfauna nam in diversiteit toe en de visgemeenschap heeft zich hersteld tot eenzelfde diversiteit als in de oorspronkelijke loop, maar met hogere abundanties en stabielere populaties van onder meer Bermpje.

In de Witte Nete werd het monitoringproject pas in het najaar 2006 opgestart en loopt door tot voorjaar 2008 waarbij eveneens twee maal per jaar wordt geïnventariseerd. Inrichtingsmaatregelen zoals het overbrengen van slib en Riet uit de oude loop worden geëvalueerd. De eerste resultaten duiden eveneens op een snel herstel van de aquatische vegetatie, de macro-invertebraten en visgemeenschap. De macro-invertebratengemeenschap omvat na zes maanden reeds 36 verschillende taxa. Zowel de populatie van Klein modderkruiper als van Rivierdonderpad heeft de nieuwe loop in deze korte periode reeds gekoloniseerd.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Vismigratie en het oplossen van vismigratieknelpunten  
  S. Monden
Vlaamse Milieumaatschappij
 

Het waterbeheer van vroeger dat vooral gericht was op een snelle waterafvoer, maakt plaats voor een beheer van een watersysteem als ecosysteem.

Vissen terug laten migreren tussen zee en zoet water en tussen grote rivieren en kleinere bovenlopen, is voor de waterbeheerder een prioritaire doelstelling. Deze doelstelling werd ook door het Vlaamse Parlement bekrachtigd in het decreet van het " Integraal waterbeleid". Momenteel werkt VMM afdeling Water samen met de andere waterbeheerders op verschillende plaatsen in Vlaanderen samen voor de realisatie van een vrije migratie op een netwerk van 3000 km prioritaire waterloop (overzicht van knelpunten: www.vismigratie.be). Ook op niet prioritaire waterlopen wordt erop gelet dat er geen nieuwe barrières voor vissen ontstaan.

Om een beeld te krijgen van wat de mogelijkheden zijn voor het herstel van vismigratie heeft de VMM afdeling Water samen met de (voormalige) Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij uit Nederland werk gemaakt van een handboek waarin kennis en ervaringen van Vlaamse en Nederlandse deskundigen gebundeld werden (Kroes M.J. en Monden S., 2005). Het handboek begeleidt de waterbeheerder en/of ontwerper bij de keuze en uitwerking van 'natuurlijk en efficiënt' ontwerp in 6 stappen. Het helpt om een keuze te maken van het type visdoorgang. Het geeft een overzicht de belangrijkste ontwerpcriteria, ontwerpvoorbeelden en de nodige achtergrondinformatie en sleutelreferenties over vismigratie. Daarnaast wordt in het handboek het zoeken naar oplossingen voor poldergebieden, stromende wateren, bevaarbare waterlopen en zoet-zoutovergangen op een aparte manier aangepakt door middel van richtingwijzers. Alle mogelijke oplossingen voor vismigratie worden er in 4 grote oplossingsrichtingen (natuurlijke oplossingen, semi-natuurlijke oplossingen, technische oplossingen en aangepast beheer) ingedeeld. Voor elk type oplossing worden specifieke ontwerpcriteria (vb ligging uitstroom, hoogte trappen, …) voorgeschreven waaraan moet voldaan worden opdat dit type wel degelijk een optimale efficiëntie bereikt. Dus niet alleen de meest natuurlijke oplossingen krijgen de voorkeur maar die oplossingen die wel degelijk de beste garantie geven op een goede efficiëntie.

De lezing zal zich toespitsen op het gebruik van het handboek. Aan de hand van voorbeelden van projecten die zijn uitgevoerd of in voorbereiding zijn op onbevaarbare waterlopen van 1 ste categorie zullen de richtingwijzer, de oplossingsrichtingen, de oplossingtypen en de ontwerpcriteria voor stromende wateren worden toegelicht.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Evaluatieonderzoek naar de werking van visdoorgangen in Vlaanderen  
  J. Coeck en D. Buysse
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

In Vlaanderen werden de eerste visdoorgangen bij stuwen slechts in de jaren '80 aangelegd. Aanvankelijk ging het om kopieën van vistrappen die elders in de wereld aangelegd werden voor forel en zalm. Toen bleek dat deze vistraptypes weinig of niet efficiënt waren voor de meeste vissen uit laaglandrivieren werd overgestapt naar andere ontwerpen. Sinds de ondertekening in 1996 van de Benelux Beschikking die vooropstelt dat vrije vismigratie moet gegarandeerd zijn in alle rivieren tegen 2010, worden in tal van rivieren nieuwe visdoorgangen aangelegd. Op dit ogenblik zijn in Vlaanderen ongeveer 15% van de 807 vismigratieknelpunten met hoge prioriteit voorzien van een visdoorgang. Meestal gaat het om V-vormige bekkenvistrappen of semi-natuurlijke nevengeulen.

In opdracht van de afdeling Water van de Vlaamse Milieumaatschappij werd gedurende de voorbije jaren de werking van 8 nieuwe visdoorgangen geëvalueerd. Voor dit onderzoek werd gebruik gemaakt van verschillende evaluatietechnieken, waaronder fuikvanksten, merkexperimenten, radio- en PIT-telemetrie. Praktisch alle aanwezige vissoorten in de rivieren bleken de onderzochte visdoorgangen te gebruiken. Een aantal visdoorgangen bleek ook zeer efficiënt te zijn, terwijl anderen doorgangen op populatieniveau ondermaats scoorden door lage passage- en/of attractie-efficiëntie. Voor elke geëvalueerde visdoorgang werden indien nodig aanbevelingen geformuleerd om de werking ervan te verbeteren. Uit het onderzoek worden algemene besluiten getrokken naar de bouw van nieuwe visdoorgangen in Vlaanderen.

De trekpatronen van blankvoorn (Rutilus rutilus L.) in gefragmenteerde rivieren in België  
  C. Geeraerts, M. Ovidio, H. Verbiest, D. Buysse, J. Coeck, C. Belpaire en J-C. Philippart
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

Bij zalmachtigen werd er, in tegenstelling tot bij karperachtigen, al veel onderzoek gedaan naar migratie en paaigedrag. Nochtans kan ook een soort zoals blankvoorn (Rutilus rutilus) over grote afstanden migreren. In de Kleine Nete, de Grote Nete en de Vesdre werd in de eerste helft van 2004 een studie uitgevoerd naar het paaigedrag van blankvoorns. De vissen werden met behulp van elektrovisserij gevangen in een traject tussen twee vismigratie knelpunten. Ze werden met een miniatuur radiozender uitgerust die de onderzoekers in staat stelde om de dieren dagelijks op te sporen. Er werd informatie verkregen over het gedrag van blankvoorns in drie sterk gereguleerde rivieren in België. De resultaten vanuit Vlaanderen en Wallonië werden met elkaar vergeleken.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Ecologische inventarisatie en visievorming voor het stroomgebied van de Abeek in het kader van integraal waterbeheer  
  J. Lambrechts en B. Aubroeck
Aeolus bvba
 

In 2005-2006 voerde AEOLUS bvba - in opdracht van VMM afdeling Water en Provincie Limburg, dienst waterlopen - de studieopdracht 'Ecologische inventarisatie en visievorming voor het stroomgebied van de Abeek in het kader van integraal waterbeheer' uit.

De hoofddoelstelling van deze studie is om het waterbeheer van de waterlopen 1e en 2e categorie beter af te stemmen op de ecologische potenties in het stroomgebied.

Bij het uitwerken van de ecologische visie bleek dat meerdere knelpunten het gevolg zijn van de omwisseling van Abeek en Lossing in de jaren '70. Naast een aantal knelpunten op het vlak van beekstructuur en vismigratie zorgt de huidige kunstmatige situatie voor structureel dure waterbeheerskosten zoals pompen, ruimingen en dijkonderhoud. Doordat de huidige Abeek afwisselend boven en onder het maaiveld ligt, zijn natuurlijke afwatering en overstroming onmogelijk.

Om een oplossing te bieden voor deze problemen werd het globaal herstelplan Abeek uitgewerkt, waarin herstel van het watersysteem op schaal van het volledige stroomgebied werd beschouwd (inclusief Nederlandse deel). Het is gebaseerd op een gedetailleerde grensoverschrijdende historische analyse van het watersysteem.

De centrale doelstelling van het globaal herstelplan Abeek is het herstel van de natuurlijke afwatering van de Abeek via een natuurlijke loop. Hiertoe moeten de Abeek en de Lossing opnieuw op een of andere manier omgewisseld worden.

Het is de enige manier om ecologisch beekherstel ten gronde te realiseren. De zeer waardevolle bovenloop van de Abeek, met onder andere Beekprik, Serpeling, Bronlibel, steenvliegen, … wordt dan opnieuw verbonden met de benedenloop van de Abeek in Nederland, waar Waterschap Peel en Maasvallei reeds heel wat beekherstelprojecten heeft uitgevoerd.

Voor het globale herstelplan zijn tal van varianten te bedenken. Als vertrekpunt werden twee sterk uiteenlopende scenario's uitgewerkt: een ecologisch-maximalistisch en een ecologisch-minimalistisch scenario.

In een ecologisch-maximalistisch scenario wordt de oorspronkelijke Abeek hersteld en verdwijnt de gegraven loop (huidige Abeek) volledig. Dit resulteert in een natuurlijke vrij meanderende waterloop in een overstroombaar valleigebied waar de natuurfunctie primeert. De kunstmatige elementen zoals duikers, sifons en dijken verdwijnen dan. Dit scenario heeft verregaande gevolgen voor de huidige niet-natuurfuncties in de Abeekvallei.

Anderzijds werd een ecologisch-minimalistisch scenario onderzocht, waarbij de ingrepen ten opzichte van de huidige toestand minimaal worden gehouden. Bij dit scenario wordt de hoofddoelstelling van het herstelplan gehaald en zijn de negatieve effecten voor landbouw, bosbouw, bebouwing en terrestrische ecologie relatief beperkt of positief.

Deze twee varianten bieden tal van mogelijkheden om het herstelplan bij te stellen tot een evenwichtig project, waarbij een gulden middenweg wordt gezocht tussen ecologisch herstel en de aanwezige economische activiteiten.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Optimalisatie van een vaaglogisch fysisch habitat model voor kuitschietende Europese vlagzalm (Thymallus thymallus L.) in de Aare (Thun, Zwitserland)  
  A. M. Mouton (1), M. Schneider (2), A. Peter (3), G. Holzer (3), R. Müller (3), P. L.M. Goethals (1) en N. De Pauw (1)
(1) Universiteit Gent, Labo voor Milieutoxicologie en Aquatische Ecologie
(2) Schneider and Jorde Ecological Engineering GmbH, Stuttgart, Duitsland
(3) Swiss Federal Institute for Environmental Science and Technology (EAWAG), Kastanienbaum, Zwitserland
 

Ecologische expertkennis wordt vaak uitgedrukt in kwalitatieve regels met behulp van linguïstische termen zoals 'laag', 'gemiddeld' of 'hoog'. Aangezien vaaglogische systemen deze regels en termen in een mathematisch kader kunnen omzetten, zijn deze systemen geschikt voor het implementeren van expertkennis in ecologische modellen. De ontwikkeling van een betrouwbare kennisbank is echter complex en tijdrovend. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de aanvulling van vage systemen met datagebaseerde technieken dit kennisverwervingprobleem kan oplossen. Deze poster past een heuristisch hill-climbing algoritme voor regelbankoptimalisatie toe om een regelgebaseerd habitatgeschiktheidsmodel op basis van vaaglogica te ontwikkelen voor kuitschietende Europese vlagzalm (Thymallus thymallus L.) in de Aare (Bern, Zwitserland). Verschillende trainingscriteria werden aangewend voor de optimalisatie van het vage regelgebaseerd model: de gewogen correct geklasseerde objecten (CGOw) en Cohens Kappa. De ecologische relevantie van de resultaten werd bepaald door de geoptimaliseerde regelbanken te vergelijken met een regelbank die op basis van expertkennis werd afgeleid. Optimalisatie gebaseerd op Kappa leidde tot aanvaardbare resultaten en was eenvoudiger dan deze gebaseerd op CGOw. De optimale regelbank was voor 74% gelijk aan de regels gebaseerd op expertkennis, terwijl 84% van alle modelfouten te wijten was aan foutief positieve voorspellingen van het model. Deze fouten zijn mogelijks veroorzaakt door het ontbreken in deze studie van bepaalde variabelen die toch een impact op de aanwezigheid van vlagzalm hebben en zijn dus niet noodzakelijk een modelfout. Het geoptimaliseerde habitatgeschiktheidsmodel kan het effect van verschillende ingrepen op het riviersysteem voorspellen en de optimale hersteloptie selecteren. Bijgevolg zou het een waardevol beslissingsondersteunend systeem kunnen zijn voor rivierbeheerders en de dialoog tussen belangengroepen kunnen stimuleren.

Visserijonderzoek in het havengebied Linkeroever  
  L. Samsoen
Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek & Provinciale Visserijcommissie, Oost-Vlaanderen
 

Het havengebied Linkeroever is een water- en visrijk gebied gelegen in de overgangszone van brak naar zoet water en daardoor van groot belang voor trekkende vissen, waaronder de paling. De mondiaal sterke terugloop van de glasaalintrek maakt van de Schelde dan ook een belangrijke schakel in de migratie van de paling.
Dit waterrijk gebied is daarnaast ook bijzonderlijk aantrekkelijk voor de hengelrecreatie. Reden genoeg om een deel van het toegepaste visserijonderzoek van de Provinciale Visserijcommissie van Oost-Vlaanderen (PVC) hieraan te wijden. Waar het onderzoek zich aanvankelijk toespitste op de intrek van glasaal via de Schelde, werd gaandeweg het belang van een onderzoek naar de visstand van de Waaslandhaven steeds duidelijker.

Een intensieve glasaalvangstcampagne voor de intrekperiode van glasaal werd in de lente van 2002 uitgevoerd door het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek met de PVC en het Agentschap voor Natuur en Bos - afdeling Bos & Groen. De opgedane ervaring van de vangstefficiëntie van verschillende vistuigen en -plaatsen zijn een belangrijke bron van informatie en liggen aan de basis van de verdere monitoring van de glasaalintrek de jaren daarop (2003 tot 2006).

De glasaalmonitoring dichtbij de monding van de watergang van de Hoge Landen in het Verrebroekdok wees op een gevarieerde visfauna en een duidelijke aanwezigheid van jonge vissen. Om een duidelijk beeld te krijgen van de visstand in de watergang en het belang van deze waterpartijen in het geheel van de dokken te kunnen omschrijven, werd in 2003 gestart met een monitoring van de visstand.
Er werden niet minder dan 17 vissoorten in de watergang teruggevonden.
Er is duidelijk niet alleen een seizoensverschil in het voorkomen van de soorten in de watergang, maar eveneens een groot verschil in de seizoensgebonde concentratie van de leeftijdsklassen binnen elk vissoort. Afhankelijk van de vissoort werden meer volwassen exemplaren vanaf de winter tot in de (late) lente in de watergang aangetroffen dan op andere tijdstippen. Dit wijst duidelijk op het belang van deze watergang als paaibiotoop. De toenemende concentratie van jonge exemplaren in de daaropvolgende perioden duidt op een opgroeihabitat van de watergang. Voor sommigen vissoorten betekent dit eerder een opgroeischuiloord, voor andere vervult de watergang eerder een foerageerfunctie (baars, snoekbaars, paling).

Opmerkelijk is tevens dat de watergang gebruikt wordt door verschillende vissen van het zout- tot zoetwatermilieu. Belangrijk is de vaststelling dat een aantal migratoren wel degelijk de trek naar het achterliggend zoet watermilieu trachten te ondernemen (paling, rivierprik en bot).

Naar een herstel van aquatische levensgemeenschappen = naar een herstel van nutrientenlimitatie?  
  A. Schneiders
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

De KRW onderscheidt 4 categorieën van oppervlaktewateren: meren, rivieren, overgangswateren (=getijrivieren) en kustwateren. Voor elke categorie worden zowel op Vlaamse schaal als op Europese schaal verscheidene natuurlijke typen onderscheiden. Tegen 2015 moeten de lidstaten trachten om de goede ecologische toestand in elk type te herstellen. Het herstellen van de waterkwaliteit is hierin een essentiële stap.

De actuele vermestingsdruk is in Vlaanderen zeer hoog. Eutrofiëring is bijgevolg een belangrijk knelpunt bij herstel. Het uitwerken van wetenschappelijk onderbouwde streefwaarden voor nutriëntconcentraties en nutriëntenratio's is een essentiële stap in het herstelbeleid. De streefwaarden zijn een belangrijke leiddraad bij het plannen van herstelmaatregelen voor elk specifiek waterlichaam.

Deze lezing geeft een stand van zake in het wetenschappelijk onderzoek. Voor elke categorie worden de belangrijkste eutrofïeringsprocessen geschetst. Vermits de meest limiterende factor in een ecosysteem het eutrofiëringsproces grotendeels bepaalt is het belangrijk om deze factor voor de verschillende aquatische systemen te kennen en daar het beheer op af te stemmen. Het bepalen van nutriëntenratio's en limiterende factoren is dan ook een belangrijke strategie voor het opstellen van normenkaders en herstelprogramma's. De eerste stap is het weerhouden van beoordelingscriteria. De tweede stap is het bepalen van referentiewaarden, de derde het vastleggen van streefwaarden en de laatste stap het bepalen van beoordelingsklassen.

Vermits de flora-componenten (macrofyten, fytobenthos, fytoplankton) direct reageren op wijzigingen in trofie worden zij internationaal aangeduid als indicatoren voor het opvolgen van eutrofiëring (Andersen et al. 2004, CIS 2005, WFD UK TAG 2006). Het is de relatie tussen flora en nutriëntenconcentraties die in elk type watersysteem de klassegrenzen voor eutrofiêring bepaalt. Toxische effecten op andere componenten (o.a. ammoniumtoxiciteit voor vissen) en andere gebruiksfuncties (o.a. drinkwaterproductie) kunnen bijkomende grenzen opleggen.

In de meeste meren en rivieren in Europa is fosfor eerder dan stikstof de limiterende component die het eutrofiëringsproces bepaalt (Crouzet et al. 1999). Voor de instandhouding van macrofyten- en fytobenthosgemeenschappen worden internationaal dan ook vooral streefwaarden voor fosfor opgesteld (CIS 2005, Mainstone et al. 2002; WFD UK TAG 2006). Het is ook eenvoudiger om via beheer fosfor opnieuw limiterend te maken. Fosforrichtlijnen kunnen aangevuld worden met richtlijnen voor N/P ratio's.

In de overgangswateren en kustwateren is Si limiterend en bepalen vooral de Si:P en Si:N ratio's de graad van eutrofiëring. Siliciumlimitatie hangt echter steeds samen met een sterke nutriëntenbelasting van N en/of P. Streefwaarden voor N in de stroomopwaartse beken en rivieren moeten dan ook vooral vanuit die effecten opgesteld worden.

Vanuit juridisch oogpunt gaat er zeer veel aandacht naar nitraatrichtlijnen. Deze worden vooral in relatie tot volksgezondheid opgesteld. Stikstof is in de meerderheid van de waterlopen reeds in overmaat aanwezig. Gezien de hoge mobiliteit is het moeilijk om via beheer stikstof opnieuw limiterend te maken en ecosystemen te herstellen. Hoge N-concentraties kunnen echter een bedreiging vormen voor de gezondheid. Daarom is het ook nodig om een grenswaarde te handhaven die o.a. nodig is voor de productie van drinkwater. Deze grenswaarden bieden echter geen garantie voor ecosysteemherstel en moeten dan ook onafhankelijk van elkaar bekeken worden.

Tenslotte hebben niet enkel verontreinigingen, maar ook hydromorfologische veranderingen en beheer een belangrijke invloed op het eutrofiëringsproces. Beheer en rivierherstel kunnen dan ook bijdragen tot het bijsturen van het eutrofiëringsproces. Een betere doorstroming en erosiemaatregelen kunnen eutrofiëring helpen terugdringen.

Onderzoek naar het gebruik van het Lippenbroek door de vispopulatie  
  I. Simoens (1), J. Breine (1) , C. Van Liefferinge (2) en C. Belpaire (1)
(1) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
(2) Universiteit Antwerpen
 

Het Lippenbroek is een poldergebied van 10 ha gelegen in het zoetwaterestuarium van de Zeeschelde te Hamme. Het gebied wordt in het kader van een pilootproject ingericht als overstromingsgebied met een gecontroleerd gereduceerde getijdenwerking (GOG-GGG). Door de constructie van een sluizencomplex werd het Lippenbroek recentelijk in verbinding gebracht met de Schelde. Het gebied heeft hierdoor potenties als paai-en opgroeigebied voor diverse vissoorten uit het Schelde-estuarium. Om na te gaan of vissen er daadwerkelijk gebruik van maken werd een monitoring opgestart in april 2006. Tweemaandelijks werd aan de hand van fuikvangsten en elektrische visvangsten de vispopulatie in het Lippenbroek onderzocht en vergeleken met de vispopulatie in de Schelde ter hoogte van het Lippenbroek (via fuikvangsten). Minstens 9 vissoorten blijken het Lippenbroek te koloniseren. De fluctuerende aantallen die per soort gevangen werden, tonen aan dat het Lippenbroek door de meeste soorten in verschillende perioden gebruikt wordt. Bovendien wordt nagegaan of de vissen voornamelijk via de inwateringsduikers of via de uitwatering migreren en of de hooggelegen inwateringsduikers een negatieve impact hebben op de conditie van de binnenkomende vissen.

De eerste resultaten van dit onderzoek tonen het belang van een overstromingsgebied met een gecontroleerd gereduceerde getijdenwerking aan voor de vispopulatie.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Ecologische meerwaarde van een kleinschalig hermeanderingsproject, case study de Kleine Aa-Weerijsbeek  
  M. Van Aert (1), C. Van Liefferinge (1), G. Heutz (2) en P. Meire (1)
(1) Universiteit Antwerpen
(2) Vlaamse overheid, departement Leefmilieu, Natuur en Energie
 

In het voorjaar van 2002 werd een kleinschalig proefproject uitgewerkt op het militair domein Groot Schietveld te Brecht en Wuustwezel in het kader van de lokale verdrogingproblematiek. Hierbij werd een 350 meter oude meander van de Kleine Aa-Weerijsbeek heringeschakeld, maar bleef de rechtgetrokken loop behouden. In de loop van 2005-2006 werd een vergelijkende ecologische studie uitgevoerd tussen beide trajecten. De herinschakeling van de meander zorgde zoals verwacht voor een uitbreiding van het beschikbare habitat voor aquatische organismen en voor een meer gevarieerd habitat (verdubbeling van de dieptevariatie, verdrievoudiging van de breedtevariatie, lagere gemiddelde stroomsnelheden bij lage debieten, maar een verhoging van de variatie in stroomsnelheid (1.5x) vergeleken met het rechte traject).

De macroinvertebraten gemeenschap was weinig divers en bestond vooral uit vertegenwoordigers van lagere tolerantieklassen (=4), voornamelijk ten gevolge van het periodiek in werking treden van een overstort stroomopwaarts van het projectgebied. Daarnaast zorgt de accumulatie en microbiële afbraak van bladmateriaal in de meander en de relatief grotere invloed van grondwaterkwel voor gemiddeld lagere zuurstofgehalten. Toch werden enkel in de meander 3 kokerjuffers aangetroffen (familie Phryganeidae, tolerantieklasse 2) en is er een trend naar een hogere biodiversiteit. Daarnaast worden meer reofiele soorten aangetroffen. Het visbestand van de Kleine Aa is marginaal met slechts 2 vertegenwoordigers: de tiendoornige stekelbaars en het bermpje. In de meander werden opmerkelijk hogere densiteiten van tiendoornige stekelbaars aangetroffen (waaronder grote aantallen juvenielen). Bermpjes werden enkel in de meander waargenomen, zij het echter in zeer lage densiteiten.

De huidige debietverdeling tussen de rechtgetrokken loop en de heringeschakelde meander is echter niet optimaal. Er wordt verwacht dat een betere debietverdeling het positieve ecologische effect nog zal versterken. Als conclusie kan gesteld worden dat zelfs in een waterloop met een matige waterkwaliteit een relatief kleine ingreep op structureel vlak een belangrijke meerwaarde kan bieden voor de lokale levensgemeenschappen. De herinschakeling van de oude meanders had zowel op de macroinvertebraten gemeenschap als op het visbestand een belangrijke positieve invloed. Doordat het proefproject positief geëvalueerd werd, wordt momenteel een verdere hermeandering van de Weerijs (> 1km) in het militaire domein voorbereid. Daarbij zal ook de debietverdeling van het proefproject herbekeken worden.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Evaluatie van de effectiviteit van natuurtechnische maatregelen in het waterlopenbeheer  
  B. Van Ballaer en C. Van Liefferinge
Universiteit Antwerpen, onderzoeksgroep Ecosysteembeheer
 

In het kader van Integraal Waterbeheer worden diverse herstelprojecten uitgevoerd in de rivierbekkens, zonder dat er achteraf een grondige wetenschappelijke evaluatie van de uitgevoerde maatregelen gebeurd. Binnen dit project werden een aantal door de provincie van Antwerpen uitgevoerde herstelprojecten onderworpen aan een evaluatie, waarbij gebruik gemaakt werd van beoordelingstechnieken op basis van de aanwezige macrofyten, macro-invertebraten en vissen. Daarnaast werd eveneens gekeken naar de slaagfactoren bij de plaatsing van wilgenteen- oeververstevigingen.

Om wilgentenen te laten schieten om aldus te fungeren als oeververdediging is het noodzakelijk om deze te plaatsen in zones waar geen volledige beschaduwing is aangezien ze daar afsterven. Verder is specifiek de habitatvorming van diverse oevertypes onderzocht voor macro-invertebratengemeenschappen: natuurlijke oevers, wilgentenen en schanskorven. De vegetatieontwikkeling op afgeschuinde oevers is beschreven en vergeleken met de oorspronkelijke situatie, gebaseerd op de aangrenzende niet-ingerichte oevers.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Een synergetische wisselwerking tussen waterplanten en zoöplankton in de controle van de biomassa en de functionele karakteristieken van fytoplanktongemeenschappen  
  M. Vanderstukken (1,3) S. Declerck (2) en K. Muylaert (1)
(1) Katholieke Universiteit Leuven , Subfaculteit Wetenschappen, Campus Kortrijk
(2) Katholieke Universiteit Leuven, Laboratorium voor Aquatische Ecologie
(3) Katholieke Universiteit Leuven, Laboratorium voor Plantenecologie
 

Waterplanten zijn in staat de groei van algen te onderdrukken en spelen daarom een belangrijke rol in het voorkomen van eutrofiëring in natuurlijke en artificiële ecosystemen. Verschillende mechanismen waarmee waterplanten dit kunnen doen zijn naar voren geschoven. Een belangrijk mechanisme is het refugium-effect voor zoöplankton: waterplanten beschermen zoöplankton tegen predatie door vis en stimuleren op die manier begrazing van fytoplankton door zoöplankton. Recente resultaten tonen echter aan dat andere processen meespelen. Andere mogelijke mechanismen zijn productie van allelopathische substanties, competitie voor bronnen tussen fytoplankton en de waterplanten zelf of met het geassocieerde perifyton. Ook verlagen waterplanten turbulentie in de waterkolom, hetgeen leidt tot een verhoogd verlies aan fytoplankton door sedimentatie. Op langere termijn beïnvloeden deze mechanismen eerder de functionele gemeenschapssamenstelling van het fytoplankton dan de biomassa. Dergelijke wijzigingen in de functionele gemeenschapssamenstelling kunnen de gevoeligheid van fytoplankton voor begrazing verhogen en zo regulatie van fytoplankton door zoöplankton bevorderen.

Het doel van deze studie is na te gaan of er een dergelijke synergetische wisselwerking bestaat tussen waterplanten en zoöplankton in de regulatie van fytoplankton. Een bijkomende vraagstelling is of de aanwezigheid van perifyton als secundaire voedselbron voor zoöplankton 'top-down' controle van fytoplankton door zoöplankton kan versterken door stabilisatie van de populatiedynamiek van het zoöplankton

Bij dit onderzoek zal in eerste instantie gebruik gemaakt worden van sterk gerepliceerde mesocosmos-experimenten. Deze experimenten bouwen voort op eerdere experimenten, waarin een duidelijke respons van de fytoplanktongemeenschapssamenstelling werd aangetoond in aanwezigheid van zowel plastic als echte waterplanten. Om na te gaan in welke mate de resultaten van de mesocosmos-experimenten extrapoleerbaar zijn naar natuurlijke ecosystemen zullen vergelijkbare 'assays' uitgevoerd worden in verscheidene meren met en zonder waterplanten.

Ontwikkeling van een methodologie voor de aanduiding van sterk veranderde waterlichamen voor de Vlaamse rivieren, overeenkomstig de Europese Kaderrichtlijn Water  
  D. Van Erdeghem en G. Pauwels
Soresma NV
in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij
 

De Europese Kaderrichtlijn Water (EKW) bepaalt dat uiterlijk tegen eind 2015 in alle Europese wateren de toestand van oppervlaktewater en grondwater goed moet zijn.

Voor oppervlaktewateren maakt deze algemene milieudoelstelling een onderscheid tussen het natuurlijke oppervlaktewater (rivieren, meren, overgangswateren en kustwater) en kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen. Hierbij heeft de term "sterk veranderd waterlichaam" (SVWL) enkel betrekking op fysische veranderingen, zoals rechttrekking, kanalisatie, opstuwing, indijking.

Een natuurlijk waterlichaam moet een goede ecologische en chemische toestand bereiken. Voor de kunstmatige waterlichamen en de SVWL is de doelstelling aangepast en is het bereiken van een goed ecologisch potentieel en een goede chemische toestand voldoende.

Methodologie
Vooraleer de milieudoelstellingen kunnen worden nagestreefd, moeten de SVWL in Vlaanderen worden aangeduid. Daarvoor heeft Soresma op basis van de EKW een methodologie opgesteld om de Vlaamse waterlichamen te beoordelen.
Om de impact van fysische wijzigingen na te gaan op de hydromorfologische kenmerken van een waterlichaam (WL) wordt gebruikt gemaakt van drie verschillende indicatoren:
- aanwezigheid van kunstwerken
- structuurkwaliteitsbeoordeling
- aanwezigheid van intensieve landgebruikvormen langs de waterloop.

Deze indicatoren resulteren in een Fysische Index (of "Globale Score Fysische Indicatoren" GSFI) en bepalen de mate van fysische stress op het WL.

Beoordeling fysische druk

GSF Klasse Mate van fysische wijziging / druk Kleurcode
GSFI = 0 0 Natuurlijk Blauw
0 < GSFI = 3 1 Weinig Groen
3 < GSFI = 6 2 Matig Geel
6 < GSFI = 9 3 Sterk Oranje
9 < GSFI = 12 4 Zeer sterk Rood

Daarnaast wordt ook een Ecologische Index bepaald op basis van de indicatoren:
- Belgisch Biotische Index
- Visindex (IBI)
- Structuurkwaliteitsbeoordeling.

Op basis van beide indices is een voorstel geformuleerd voor de al dan niet aanduiding van het waterlichaam als "voorlopig SVWL". Dit voorstel is beoordeeld door de verschillende beheerders van de waterlopen, zodat op basis van deze expertenoordelen de voorlopige Sterk Veranderde Waterlichamen zijn aangeduid.

Bepaling GSFI in het Bekken van Dijle en Zenne
Voor deze voorlopige SVWL is er onderzocht of er maatregelen mogelijk zijn, zodanig dat het waterlichaam toch een goede ecologische toestand kan bereiken, zonder dat dit een invloed heeft op de omgeving of de nuttige doelen (bv. scheepvaart, bescherming tegen overstroming, …). Er is ook onderzocht of er alternatieven voorhanden zijn voor deze nuttige doelen. Wanneer dergelijke maatregelen of alternatieven niet mogelijk zijn, wordt het waterlichaam definitief beschouwd als een sterk veranderd waterlichaam.

Ontwikkeling GIS-tools
Om de methodologie op een efficiënte wijze te kunnen toepassen voor heel Vlaanderen, heeft Soresma een softwarepakket op maat ontwikkeld. De software-tools zijn ontwikkeld binnen ArcView GIS.

Om de beoordeling van de Vlaamse WL uit te voeren, worden vanuit het GIS verschillende relevante databanken geraadpleegd die beheerd worden door de Vlaamse overheid (VMM, VMM afdeling Water, W en Z, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,…).

Op basis van de kennisregels uit de methodologie en de informatie in deze databanken, is voor elk onderzocht WL in de 11 hydrografische bekkens van Vlaanderen, een afweging gemaakt tussen een "natuurlijk" of "sterk veranderd" karakter.
Aanduiding SVWL in het Zenne- en Dijlebekken (detail): ----- SVWL ----- niet SVWL

Resultaat
De ontwikkelde methodologie heeft toegelaten om op een objectieve en geautomatiseerde wijze de onderzochte waterlichamen aan te duiden of zij al dan niet sterk veranderd zijn, conform de Europese Kaderichtlijn Water. Deze werkwijze is toegepast voor alle 11 bekkens van Vlaanderen, waarbij de resultaten beschikbaar zijn in kaarten en tabellen.

Dynamische voorspelling rivierherstel  
  K. Van Looy
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

Het riviermodel ECODYN biedt een stapsgewijze verkenning van de rivierinvloed, de vegetatiesuccessie en terugzetting, het effect van extensieve begrazing, de bosontwikkeling, en de wederzijdse beïnvloeding van al deze aspecten in het riviergebied doorheen de tijd en ruimte.

Het is een modellering ontwikkeld in het kader van het onderzoek naar herstelmogelijkheden voor de Grensmaas en ze is reeds toegepast in de grensoverschrijdende studies naar de ingrepen van het Grensmaasproject.

PIT-telemetrie als tool voor de monitoring van een vispassage  
  H. Verbiest, C. Geeraerts en C. Belpaire
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
 

Bij zalmachtigen is er, in tegenstelling tot de karperachtigen, al veel onderzoek gedaan naar migratie en paaigedrag. Nochtans kunnen ook soorten zoals de blankvoorn over grote afstanden migreren. In het traject op de Grote Nete tussen de watermolen-stuw in Meerhout en de stuw te Geel werd in in 2004 een studie uitgevoerd naar het migratie- en paaigedrag van blankvoorn. Een aantal blankvoorns werden er uitgerust met een kleine radiozender en dagelijks opgespoord om hun migratiepatronen in kaart te brengen. Dit onderzoek werd uitgebreid met de monitoring van de in 2005 aangelegde vispassage ter hoogte van de watermolen te Meerhout. Hiervoor werd in 2006 een automatisch meetstation geïnstalleerd, waarbij aan het begin en aan het einde van de vispassage een antenne in lusvorm is geplaatst. Vissen kregen een gecodeerd zendertje (PIT-tag) en laten die code lezen wanneer ze doorheen de antenne-lussen in de vispassage zwemmen. De individuele codes worden gecombineerd met de tijd en datum van passage. Ook stroomsnelheid en temperatuur worden automatisch opgemeten en gekoppeld aan de data. Met een 1 jaar durende monitoring moeten we een duidelijk beeld krijgen van de omstandigheden waaronder elke vis de vispassage wel of niet passeert. Tot op heden werden een 1000-tal vissen (17 soorten) gezenderd en konden al meer dan 10.000 data worden ingelezen.

 

Samenstelling redactieraad WATER:

Hoofdredacteur:
Michel Bruyneel

Leden:
Willy Bauwens,
Marcel Bruyndoncx,
Marc Buysse,
Herman Crommelinck,
Stijn De Coutere,
Lieve De Roeck,
Marie-Paule Devroede,
Heleen Geeraert,
Maarten Goris,
Jan Hammenecker,
Jos Heylen,
Patrick Meire,
Jaak Monbaliu,
Frank Mostaert,
Rik Serruys,
Didier Soens,
Lieve Stoops,
Jan Strubbe,
Paul Thomas,
Jef Van Hoof,
José Vandevijvere,
Marc Vercruysse en
Louis Wauters

voor dit nummer uitgebreid met Steven Declerck, themacoördinator van deze studiedag.

 
 
 
 
Abonneer een vriend Stuur mij meer informatie Geen mail meer Abonneer een vriend Ga naar onze website