WATER 33 - "Mensen en Watersystemen"
 
 

v.z.w. WATER
Broechemsesteenweg 165
2531 Boechout
tel.: 03/475 09 66 en
0486 939 025
fax: 03/475 09 66
e-mail:
claire.bruyneel@telenet.be
website:
www.tijdschriftwater.be



Nieuwsbrief over integraal waterbeleid in samenwerking met de CIW




Inhoud  
 
Voorwoord

Studiedag: "Mensen en Watersystemen"

 
  P. Meire, thema-coördinator
Universiteit Antwerpen, Departement Biologie, Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer
 

Mensen en watersystemen zijn van oudsher onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het vinden en beschermen van dit evenwicht is dan ook een enorme uitdaging en vormt een hoeksteen van duurzame ontwikkeling. Watersystemen voorzien ons direct en ondirect in tal van goederen en diensten, gaande van voedselvoorziening tot transport en recreatie. Toch zijn vele van deze diensten bedreigd en zijn ze moeilijk te vervangen. Op deze laatste studiedag werd getracht om de link te leggen tussen gezonde watersystemen en maatschappelijk welzijn.

Voldoende water van goede kwaliteit heeft altijd al een enorme rol gespeeld in de geschiedenis van de mens. Dit zuiver water is echter steeds schaarser en wordt heden ten dage bedreigd met steeds complexere en meer persistente vormen van vervuiling. Welke doelstellingen zijn nodig, op welke basis worden deze bepaald en hoe bereiken we de doelstellingen?, zijn enkele fundamentele vragen.

De Kaderrichtlijn Water bekrachtigt met de "2015-doelstelling" een ambitieus maar noodzakelijk doel: voldoende zuiver water. De Kaderrichtlijn gaat echter een belangrijke stap verder en vereist ook het bereiken van de goede ecologische toestand van de watersystemen. Immers, het is al lang duidelijk dat een goede waterkwaliteit onlosmakelijk verbonden is met een goed functionerend ecosysteem. Naast deze brede ecologische doelstellingen vereist het multifunctioneel gebruik uiteraard ook nog vele doelstellingen ten aanzien van veiligheid, bevaarbaarheid, watervoorziening, recreatie etc. Dit alles vereist naast planning en organisatie, een gedegen monitoring en een adequaat beheer van kennis en informatie. Welke kennis is er in de toekomst nodig om deze doelstellingen te bepalen en hoe gaan we efficiënt om met deze informatie?

Een belangrijke evolutie betreft een economische analyse van het waterbeheer. Wat zal de maatschappelijke kost zijn van de inspanningen die geleverd moeten worden om de vele doelen te bereiken? Hoe worden maatregelen en middelen optimaal ingezet? Initiatieven voor evaluatie van kosten en baten van gezonde watersystemen worden genomen. Dit zal echter ook afgewogen moeten worden tegen de kost van het niet behalen van de goede waterkwaliteit. De verstoring van het globale watersysteem door klimaatverandering toont ons dat er enorme implicaties zullen zijn op verschillende aspecten van het maatschappelijk welzijn zoals veiligheid, voedselvoorziening etc.. Maar ook op lokale schaal hebben ecosysteem diensten en hun samenhang met gezonde watersystemen een enorm economisch en maatschappelijk belang. Niettemin is hierover slechts weinig bekend in Vlaanderen en dient men ook hiervoor initiatieven te nemen ter verbetering en verdieping van onze kennis.

De eerste generatie bekkenbeheerplannen (BBP) zijn gemaakt en dienen nu uitgevoerd te worden. De opvolging en evaluatie van deze eerste bekkenbeheerplannen is noodzakelijk om de volgende generatie BBP te verbeteren. Welke watersysteemkennis en draagvlakontwikkeling is nodig om een nog ambitieuzer beleid mogelijk te maken? Een kritische evaluatie vanuit een theoretisch conceptueel kader dient vertaald te worden naar enerzijds een pragmatische en haalbare invulling en anderzijds de ontwikkeling van nieuwe kennis en inzichten.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

De 'sanitaire revolutie': een vergeten les voor de 21ste eeuw  
  R. Vannevel
Vlaamse Milieumaatschappij, Afdeling Meetnetten en Onderzoek
 

De sanitaire revolutie die zich in de 19de eeuw in het zog van de industriële revolutie in Engeland heeft voltrokken, geldt als een van de belangrijke ontwikkelingen ooit op het vlak van de volksgezondheid. Het complexe geheel van wisselwerkingen tussen drinkwatervoorziening en afvalwaterbehandeling gaf het ontstaan aan tal van technische, wetenschappelijke en bestuurlijke innovaties, waaronder de technieken voor waterzuivering, de ontwikkeling van de bacteriologie en de eerste 'moderne' milieuwetgeving. De cruciale kennis over de rol van de watersystemen bleef in dit honderdjarig verhaal echter buiten beeld, waardoor duizenden choleradoden te betreuren vielen. Desondanks een mooi voorbeeld van de relaties tussen de economische, sociale en ecologische 'kapitalen' (SCENE) die zich herhaalden in de expansie van tal van Europese steden in de 19de-20ste eeuw en zich op mondiaal niveau opnieuw aandienen in de 'megacities' van de 21ste eeuw. Het verhaal is te herleiden tot de waardetoekenning door de mens aan watersystemen in relatie tot het gebruik ervan, veelal getypeerd als 'Sink & Sources', 'Goods & Services' of 'Functions & Uses'.

De toekenning van functies aan watersystemen is cruciaal in het SCENE-model. De wisselwerkingen zijn nog het meest duidelijk de ruimtelijke inrichting van de stedelijke gebieden. In de geschiedenis van een stad als Gent zien we dat door menselijke invloed tal van waterlopen zijn ontstaan, vooral ingevolge economische en sociale behoeften. Dat echter ook vele watersystemen zijn verdwenen, heeft zijn grond in het verdwijnen van functies. Functieverweving en -afweging, geconcretiseerd in functietoekenningen aan watersystemen, zijn cruciaal voor het behoud ervan. De afgelopen decennia tonen hoe kritiek dergelijke ontwikkelingen in Gent zijn geweest, maar ook hoe binnen het herwaarderingsproject van de Gentse binnenwateren tal van nieuwe functies kunnen worden gecreëerd. Een literatuurstudie en ontwikkeling van een methodiek inzake functies en functietoekenningen werd in Vlaanderen voor het eerst uitgevoerd in het kader van het Gewestelijk Milieubeleidsplan 1997-2001.

Functies en functietoekenningen vormen de stap van beleid naar beheer, hetgeen echter ook de doorvertaling van een kwalitatief naar een kwantitatief gegeven vereist. Milieukwaliteitsnormen kunnen worden beschouwd als een gekwantificeerde doorvertaling van functies. Uitgedrukt als concentratie en in relatie tot debieten zit hierin de basis voor water- en vrachtenbalansen en in het verlengde daarvan respectievelijk waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmodellen. De Algemene Waterkwaliteitsplannen (AWP2's) die in de periode 2000-2003 werden gepubliceerd, gaven voor het eerst een gedetailleerd beeld van de vuilvrachten in Vlaanderen, alsook van de vereiste vuilvrachtreducties. Vrachtreducties zijn de opstap naar 'sturende' maatregelen die in relatie staan tot het vooropgestelde doel (lees: functie).

Net als tijdens de sanitaire revolutie blijven ook nu nog een aantal cruciale aspecten buiten het beleidsveld, alhoewel ze in het verhaal zouden moeten worden meegenomen. Het doorrekenen naar kostenefficiënte maatregelen is nog maar recent aan de orde; klimaatsverandering en biodiversiteit blijven nog grotendeels buiten beeld. Vrachtenbalansen worden binnen het beleid nog niet als een courant instrument gebruikt. Vanuit het oogpunt van duurzame ontwikkeling staat het natuurlijk kapitaal staat nog steeds niet op gelijke hoogte met de economische en sociale kapitalen.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Halen we de goede toestand in 2015!?  
  J. Emery en V. Van Den Langenbergh
Vlaamse Milieumaatschappij
 

De Europese kaderrichtlijn Water werd aan de vooravond van de 21ste eeuw gepubliceerd. Een goede toestand behalen in al het oppervlaktewater en grondwater vormt de kern van deze EU-wetgeving, die voorziet in een duurzaam waterbeheer gebaseerd op een hoge mate van bescherming van het aquatisch milieu.

De discussie over de invulling van de milieudoelstellingen werd steeds intenser naarmate de eerste resultaten van de druk- en impactanalyse, uitgevoerd eind 2004, bekend raakten. Ze wordt onder andere gevoerd door watergebruikers die bijdragen tot die drukken op het watersysyteem en die zich zorgen maken over de gevolgen van de kaderrichtlijn Water maatregelen voor hun watergebruik. Dikwijls zijn de ideeën over deze problemen geen correcte afspiegeling van de realiteit. Meer bepaald worden de aanzienlijke voordelen van het halen van milieudoelstellingen voor het milieu, de mensen, de watergebruikers en de economie en de samenleving in haar geheel, over het hoofd gezien.

Milieudoelstellingen worden in Vlaanderen concreet vertaald onder de vorm van milieukwaliteitsnormen en milieukwantiteitsnormen en zijn, zoals de kaderrichtlijn Water voorschrijft, gebaseerd op een wetenschappelijke benadering. Voor sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen gelden specifieke milieukwaliteitsnormen voor de ecologie. De milieudoelstellingen waarvoor de deadline van 2015 een dwingend karakter heeft, zijn voor oppervlaktewater de goede chemische toestand en de goede ecologische toestand/potentieel en voor grondwater de goede chemische toestand en kwantitatieve toestand.

Het grote knelpunt was dat tot voor kort geen 'kaderrichtlijn Water' conforme beoordelingsmethode beschikbaar was voor een aantal biologische kwaliteitselementen, noch historische meetreeksen beschikbaar waren. In de afgelopen jaren heeft de Vlaamse Milieumaatschappij heel wat studiewerk laten verrichten om te komen tot biologische beoordelingsmethoden gedifferentieerd naar het type watersysteem. Sinds januari 2007 is het biologisch meetnet uitgebreid met die bijkomende biologische kwaliteitselementen.

De vraag of we de milieudoelstellingen halen is vooral een vraag van waar we geraken met de geplande maatregelen en welke maatregelen nog bijkomend genomen moeten worden om de milieudoelstellingen te halen. De sociaal-economische overwegingen daarbij worden volledig in rekening gebracht via de geïntegreerde mechanismen van de afwijkingen (o.a. termijnsverlenging en lagere doelstellingen) en de kosteneffectiviteitsanalyse die ons een inzicht moet geven in de kosten en effecten van maatregelen. De vraag is alleen wie betaalt wat om waar te geraken. Een antwoord formuleren op die vraag is dan ook de uitdaging van de eerste generatie stroomgebiedbeheerplannen die eind 2008 in openbaar onderzoek gaan.

Belangrijke items in het beantwoorden van die vraag en kennislacunes zijn het inschatten van het effect van bepaalde maatregelen op de verschillende biota, het gecombineerd effect van maatregelenpakketten begroten, het valoriseren van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek in pragmatische beleidsmatige bruikbare indicatoren, het kwantificeren van baten en het verder ontwikkelen en koppelen van waterkwaliteitsmodellen, waterkwantiteitsmodellen en milieukostenmodellen.

Integrale stroomgebiedbeheerplannen zullen pas een realiteit worden wanneer zowel beleidsdomeinoverschrijdend wordt gewerkt - zoals nu reeds gebeurt binnen de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid - als wanneer de wetenschap erin slaagt hapklare resultaten over te maken aan het beleid en het beleid erin slaagt hapklare vragen te formuleren voor de wetenschappers.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Het uitwerken van instandhoudingdoelstellingen: een integratie van verschillende milieuwetgevingen?  
  S. Van Damme
Universiteit Antwerpen, Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer
 

De ecologie van het Schelde-estuarium wordt juridisch op verschillende niveau's beschermd. Volgens artikel 6 van de Habitatrichtlijn zijn de individuele lidstaten verplicht ervoor te zorgen dat de habitattypes en soorten waarvoor de betreffende gebieden werden aangewezen in stand gehouden worden en zelfs hersteld worden. Om een afdoende bescherming op lange termijn te verzekeren is het noodzakelijk onderbouwde doelstellingen voor habitats en soorten te beschrijven. Daartoe werden streefdoelen, of Instandhoudingsdoelstellingen (IHD), opgesteld. Aan de hand van een uitgewerkt voorbeeld, toegespitst op slik als habitat voor benthos wordt aangetoond dat IHD het voordeel bieden dat ze de herstelbehoeften van dynamische systemen kunnen aangeven, daar waar veel juridische beschermingsmaatregelen statisch van karakter zijn. Voorts is het een onomstreden voordeel voor het beleid dat door middel van IHD een onderbouwde quantificering van herstelnoden geboden kan worden, die elke juridische bescherming overspant. Voor het Schelde-estuarium is de uitbouw van IHD dan ook een belangrijke catalysator gebleken voor definitief herstel, aangezien de Vlaamse regering de aangewezen maar omvangrijke herstelmaatregelen, die in de IHD werden aangegeven, bij decreet heeft vastgesteld.

Risico-evaluatie: doelstellingen formuleren, scenario's analyseren  
  W. Vanneuville
Waterbouwkundig Laboratorium
 

Overstromingen zijn er in het verleden altijd geweest en zullen zich in de toekomst steeds blijven voordoen. Hoe uitgebreid de infrastructuur ook is langsheen waterlopen, er kan altijd een situatie optreden waarbij water buiten de oevers treedt en gebieden onder water zet die dit in normale omstandigheden niet zijn. De uitdaging is dus om overstromingen daar te laten plaatsvinden waar ze de minste schade veroorzaken. Het Waterbouwkundig Laboratorium werk sinds 2002 (zie voor methodologie Vanneuville et al 2006) met een risicomethodologie - die modulair opgebouwd is - voor het evalueren van alternatieven en vergelijken met de huidige toestand. Eén van de toepassingen is in maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA), maar om niet te interfereren met andere sprekers wordt dit onderwerp niet uitgewerkt voor de CIW studiedag.

Risico is, eenvoudig gezegd, de combinatie van de kans van een gebeurtenis en zijn gevolgen. Vlaanderen heeft - in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland - geen wettelijke normen voor overstromingskansen. Dit maakt dat tijdens het bestuderen van een waterloop en het bekijken van maatregelen verschillende alternatieven kunnen worden afgewogen. De geformuleerde doelstellingen zijn relevant voor een specifieke omgeving. Zo kan een veiligheidsniveau dat enkele gebaseerd is op kansen dure investeringen opleggen waar niemand beter van wordt. De doelstellingen die met de risico-evaluatie bekeken worden kunnen zowel kijken naar materiële schade als naar slachtoffers. 'Slimmer investeren' (de titel van een recent Nederlands rapport) is dus perfect mogelijk zonder wettelijke normen op gebied van overstromingskansen.

Niet iedere ingreep is een goede ingreep. Bij de geanalyseerde scenario's kijkt het Waterbouwkundig Laboratorium daarom naar een hele reeks gebeurtenissen tegelijkertijd. Zo kan het zijn dat een ingreep de schade bij frequent voorkomende wassen of stormen reduceert en tegelijkertijd de gevolgen bij uitzonderlijk voorkomende gebeurtenissen nog veel erger maakt. Of een ingreep kan een positief effect hebben op materiële schade, maar nadelig wanneer gekeken wordt naar slachtoffers. Iedere gebeurtenis wordt met een bepaald gewicht verwerkt op het eindresultaat. Niet alle elementen worden in de risico-evaluatie meegenomen: risico is dan ook maar een onderdeel van een MKBA.

De gebruikte data zijn zeer divers: overstromingskaarten, bodemgebruikkaarten, bevolkingsstatistieken, … Alle gebruikte data zijn homogeen beschikbaar voor heel Vlaanderen. De risicoberekeningen zijn modulair opgebouwd. Dit geeft de mogelijkheid om snelle(re) berekeningen uit te voeren om een eerste inzicht te verkrijgen en gedetailleerde berekeningen waarin veel meer detailelementen opgenomen worden. Verder wordt er gewerkt aan verschillende componenten die ingeplugd kunnen worden in de basismodellen, waaronder een methode om schade en slachtoffers in de onmiddellijke omgeving van een bres te berekenen. Om in de toekomst vlotter gebruik te kunnen (laten) maken van de ontwikkelde modules wordt alles in een softwaretool gestoken die het gebruiksgemak gevoelig moet verhogen.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Ecosysteem services: welke, waar en hoeveel, kan dat gemeten worden?  
  P. Meire
Universiteit Antwerpen, Departement Biologie, Onderzoeksgroep Ecosysteembeheer
 

Ecosysteem diensten zijn een recent begrip dat met het groeiende belang van een economische valuatie van natuur en de publicatie van de Millennium Ecosystem Assessement (MEA) zeer veel aandacht gekregen heeft. Het zijn de voordelen die de mens bekomt van de ecosystemen en waar ons voortbestaan in belangrijke mate van af hangt. De ecosysteemdiensten worden opgedeeld in "provisioning", "supporting", "regulating" en "cultural" services. Elk van die diensten kan gerelateerd worden aan verschillende aspecten van het menselijke welzijn. De vraag dringt zich dan ook op hoe gemakkelijk dit concept vertaalbaar is binnen het waterbeheer. In dit artikel worden een drietal cases besproken waarin we aantonen dat het mogelijk is om de diensten te kwantificeren en op basis daarvan te vertalen naar beheersmaatregelen. In de eerste case wordt aangetoond dat de ecosysteemdienst "het leveren van zuiver water" door een stroombekken kan geoptimaliseerd worden en dat de resulterende kost voor de consument de helft is dan wanneer een zuiveringsinstallatie moest gebouwd worden om de gevolgen van de degradatie van het stroombekken te compenseren. Voor het bekken van de Mississippi kon, als tweede case, berekend worden dat de aanleg van moerassen met een oppervlakte van 1% van het stroomgebied voldoende is om via de ecosysteemdiensten "regulatie van stofstromen" en "waterzuivering" de nutriënten vracht naar de Golf van Mexico zo te reduceren dat de anoxische omstandigheden over een oppervlakte van meer dan 22.000 km² zouden verdwijnen, met alle positieve gevolgen voor de zeevisserij van dien. Tenslotte wordt dieper ingegaan op de achteruitgang van ecosysteemdiensten van het Schelde estuarium en de mogelijkheden om die concreet te meten. Ook hier kunnen die gegevens vertaald worden in benodigde oppervlaktes habitat nodig voor het herstel van de ecosysteemdiensten.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Economische waardering van verbetering ecologische status van watersystemen
Stand van zaken van de kennis en uitdagingen voor wetenschap en beleid.
 
  L. De Nocker, S. Broekx en I. Liekens
Vito, integrale milieustudies
 

Eén van de uitdagingen voor de implemenatie van de KRW is het in kaart brengen van de maatschappelijke en economsiche baten van maatregelen om goede ecologische status te bereiken. De presentatie gaat in op de stand van de huidige kennis in Europa, beschrijft de lessen die we kunnen leren uit de eerste toepassingen ervan en gaat in op enkele wetenschappelijke en practische uitdagingen. De presentatie bouwt op lessen uit recent en lopend onderzoek naar waardering van waterkwaliteitsverbetering en maatschappelijke kosten-baten analyses van implementatie van de KRW.

1. De laatste decennia zijn de wetenschappelijke methodes ontwikkeld om de levering van goederen en diensten door water-systemen in kaart te brengen, en deze in geldtermen te waarderen. De grotere, beleidsgerichte toepassingen zijn evenwel nog beperkt, maar een recente studie olv Vito toont aan dat de meeste EU lidstaten hiertoe recent studietrajecten hebben opgestart. In Vlaanderen zijn er studies met betrekking tot waardering van wetlands en waterkwaliteit.

2. De resultaten van de eerste studies tonen aan dat :
- het mogelijk is om de maatschappelijke baten in te schatten,
- de moeilijkste maar tevens meest belovende methodiek sluit nauw aan bij het in kaart brengen en waarderen van het effect op de levering van goederen en diensten door watersystemen met goede ecologische status.
- dat deze baten zeer divers zijn. Ze omvatten vermeden kosten in de watersector (drinkwaterproductie, waterkwantiteitsmanagement, klimaat- en luchtbeleid,..), een welvaartswinst voor gebruikers van verschillende diensten, vnl. met betrekking tot allerhande vormen van (watergebonden) recreatie en lanschapsbeleving (woongenot), de zogenaamde niet gebruikswaarde voor verbetering natuurlijkheid en biodiversiteit, vermindering risico's op voor watervoorziening.
- de omvang van de baten hangen samen met fysische kenmerken van de watersystemen (de omvang van de verbetering van de ecologische status) maar ook de kenmerken van hun omgeving (bevolkingsdichtheid), hun interactie met die omgeving (welke diensten leveren de watersystemen aan de mensen in de nabije en verre omgeving) en de preferenties en bereidheid tot betalen van die mensen.
- naarmate deze factoren verschillen zullen ook de maatschappelijke baten van de maatregelen verschillen. Omwille van de verscheidenheid in die factoren zijn de baten divers, en kan a-prioiri moeilijk worden ingeschat welke baten zullen domineren.
- daarom is een zo volledig mogelijke inschatting nodig van alle batencategeorieën om maatregelenpakketten te kunnen beoordelen.
Dit zal toegelicht worden aan de hand van enkele voorbeelden uit Vlaanderen, UK, NL, Frankrijk. Ze illustreren de maatschappelijke vraag voor een betere kwaliteit van onze watersystemen en mogelijkheden voor win-win situaties met andere sectoren.

3. Er zijn nog grote wetenschappelijke uitdagingen met betrekking tot:
- het vertalen van maatregelen en hun effecten op waterkwaliteit en morfologie naar de verbetering van de levering van goederen en diensten. Dit vergt een multidisciplinaire samenwerking en expertise rond waterkwaliteit, ruimtelijke kwaliteit, ecosysteem effecten en economische waardering. Voor bepaalde goederen en diensten moet dit bovendien vertaald worden naar indicatoren die makkelijk verstaanbaar zijn voor 'de man in de straat'.
- het in kaart brengen van de huidige gebruiken van watersystemen (bijv. voor informele recreatie) en potentiële nieuwe gebruiken en gebruikers bij verbeterde kwaliteit (bijv. informeel zwemmen en baden in oppervlakte waters)
- huidige studies vertrekken typisch van verbetering van één stukje rivier, maar voor baten van KRW moet je inschatting maken van een algemene verbetering van alle waterlichamen,
Deze en andere vragen worden bestudeerd in het Europese Aquamoney project.

4. de vooornaamste uitdagingen voor beleidsgerichte toepassingen betreffen:
- de resultaten van de wetenschappelijke literatuur (in ontwikkeling) moet vertaald worden naar effecten van maatregelenpakketten of scenario's op bekkenniveau, rekening houdend met lokale condities;
- voor dit soort toepassingen moeten eenvoudige rekeninstrumenten en kengetallen ontwikkeld worden, die extra onzekerheid toevoegen.
- ontwikkeling van kennis bij de potentiële gebruikers van deze informatie met het oog op communicatie naar stakelhodlers, afwegen van verschillende maatregelen, beoordelen van disproprotioneliteit van kosten en baten, …

Deze elementen worden toegelicht op basis van guidelines ontwikkeld in Fr., UK en NL en hoe zij in de praktijk zijn gebruikt, inclusief de onzekerheden.

De presentatie sluit vooral aan bij item 3 (meten en waaarderen van goods en services) en in mindere mat bij item 2 (input voor MKBA (batenkant) en item 4 (input voor visievorming en planopmaak).

Op basis van onderling overleg kunnen de accenten in de presentaties worden aangepast.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Naar een evenwaardige beoordeling van ecologische, economische en sociale effecten van de toename aan overstromingen door de klimaatsverandering: het ADAPT verhaal  
  R. De Sutter, Ecolas nv
ADAPT project-team: W. Hecq en A. De Groof, CEESE - ULB; K. Bachus en I. Coninx, HIVA - KUL; P. Meire & M. El Kahloun, ECOBE - UA; B. Dewals en M. Pirotton, HACH - Ulg; R. De Sutter en L. De Smet, Ecolas nv
 

Door wijzigingen in de neerslaghoeveelheid, -intensiteit en -patronen wordt in onze regio een toename verwacht van zowel de frequentie, de ernst als de gevolgen van overstromingen. De evolutie van het risico op overstromingen kan echter niet los gezien worden van parallelle ontwikkelingen in de valleigebieden. Hierbij dient vooral gedacht aan de toename van economische waarde in risicogebieden, urbanisatie, landbouwgebruiken, natuurbeheer, etc. Onder invloed van de klimaatverandering zal dit probleem zich alsmaar scherper stellen.

In het kader van haar klimaatbeleid streeft de Vlaamse overheid naar een kosteneffectieve toewijzing van haar middelen. Dit is een zeer goed beleidsprincipe en moet daarom ook de hoeksteen zijn bij de ontwikkeling en afweging van een geïntegreerde beheersstrategie tegen overstromingen. Het is echter wel belangrijk dat alle kosten en baten worden meegenomen in deze geïntegreerde oefening en dat de voorgedragen strategie past binnen deze van het gehele stroomgebied.

In de huidige praktijk worden immers dergelijke afwegingen - via maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA) en/of multicriteria-analyses (MCA)- al te vaak gebruikt om een eigen project een "integraler kleedje" te geven. In een "maatschappelijke" KBA dienen alle huidige en toekomstige voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen te worden. In de praktijk worden er echter een hele reeks effecten buiten beschouwing gelaten. Vooral sociale en ecologische aspecten worden vaak niet of slechts zijdelings beschreven, laat staan in rekening gebracht. Waar een MCA een kader biedt waarin moeilijker te monetariseren effecten gemakkelijker aan bod kunnen komen, biedt het nog onvoldoende kwantitatieve onderbouwing. De beoordeling, integratie en afweging van effecten met een significant verschillende aard op een doordachte en evenwichtige manier blijft dus een wetenschappelijke uitdaging met een belangrijke beleidsvertaling.

In de toekomst dienen deze tekortkomingen te worden ondervangen. Hiertoe ontwikkelt het ADAPT team momenteel een beleidsinstrument voor de integrale afweging van adaptatiemaatregelen tegen overstromingen. Dit instrument wil de beleidsmakers ondersteunen bij een efficiënte, evenwichtige en toekomstgerichte toewijzing van hun middelen. In tegenstelling tot de huidige praktijk wordt daarom getracht om alle relevante sociale, economische en ecologische aspecten mee te nemen.

In een eerste fase wordt een conceptueel model ontwikkeld waarin alle ecologische, economische en sociale effecten van overstromingen worden ondergebracht. Ook de positieve of negatieve impact van maatregelenscenario's op de natuur, de economie en het sociale weefsel wordt structureel beschreven. Er wordt hierbij ook gebruik gemaakt van het gedachtengoed van het Millennium Ecosystem Assessment. Essentieel hierbij zijn de onderlinge verbanden tussen ecologische, economische en sociale effecten. Wederzijds begrip en win-wins tussen wetenschappers van diverse achtergrond was het essentiële resultaat van een tijdrovend maar creatief proces.

In een tweede fase zal een beheerinstrument worden ontwikkeld en worden toegepast op 2 gevalstudies, 1 in het Scheldebekken en 1 in het Maasbekken. Daartoe zal enerzijds een MKBA van elke gevalstudie worden uitgevoerd en anderzijds een MCA worden uitgewerkt. Beide tools zullen steunen op het conceptuele werk uit de 1e fase. De pro's en contra's van elke methodiek zullen op die manier geëvalueerd worden met als einddoel een evenwichtige en geïntegreerde afweging te kunnen maken.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Het opstellen van kosteneffectieve maatregelenprogramma's met behulp van het milieukostenmodel  
  S. Broekx, D. Beheydt, E. Meynaerts en P. Vercaemst
VITO, integrale milieustudies
 

In juni 2001 startte het BBT-Kenniscentrum van VITO in opdracht van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid (LNE) met de ontwikkeling van een MilieuKostenModel (MKM) voor Vlaanderen. In eerste instantie werd het model ontwikkeld en operationeel gemaakt voor luchtverontreiniging. Gegeven de verplichtingen van de Europese Kaderrichtlijn Water, werd in 2003 ook gestart met de uitbreiding van het model met de verontreiniging van oppervlaktewater. Binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EC) worden economische analyses uitdrukkelijk gezien als ondersteunend instrument om tegen 2015 een goede oppervlaktewater- en grondwatertoestand te bereiken. De economische analyse moet hierbij een oordeel vormen over de meest kosteneffectieve combinatie van extra maatregelen om tot dit resultaat te komen.

In Vlaanderen wordt het MKM uitgebouwd om deze afweging te maken voor COD, Ntot en Ptot. Met name het vinden van de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen om doelstellingen te halen voor meerdere polluenten tegelijkertijd en dit op meerdere locaties is een belangrijke eigenschap van het milieukostenmodel. Hierbij worden maatregelen beschouwd voor zowel industrie, huishoudens als landbouw. De belangrijkste maatregelen zijn voor bevolking het aansluiten van huishoudens op collectieve zuivering of individuele zuivering, voor industrie het uitbouwen van een secundaire en tertiaire zuivering en voor landbouw het verstrengen van bemestingsnormen en erosiebestrijdende maatregelen als oeverzones en groenbemesters.

Het milieukostenmodel bestaat hoofdzakelijk uit 2 delen: een uitgebreide databank met gegevens over bronnen en maatregelen en een optimalisatiemodule die op basis van de gegevens uit de databank de optimale oplossing bepaalt. Bronnen worden gekarakteriseerd door hun jaarlijkse lozing en hun locatie. Voor iedere bron worden maatregelen gedefinieerd met een specifiek zuiveringsrendement en investerings- en onderhoudskosten. De gehanteerde ruimtelijke schaal is de VHA-zone. Concreet wordt op het einde van iedere zone een reductiedoelstelling wordt opgelegd die wordt ingeschat op basis van de waargenomen concentraties. De optimalisatie gebeurt via lineair programmering, met behulp van GAMS.

Een eerste gevalstudie werd in 2006 afgerond voor het Netebekken. Ongeveer 60 miljoen euro of 100 euro per inwoner zou jaarlijks vereist zijn om de VLAREM II doelstelling te bereiken in dit bekken. Het grootste deel van deze kosten bestaat uit het aansluiten van huishoudens op collectieve zuivering en het verstrengen van de stikstofnormen voor landbouw. Een belangrijk probleem bij de analyse is de grote hoeveelheid niet-toewijsbare emissies. Zo kunnen bijvoorbeeld voor COD 50% van de waargenomen concentraties niet toegewezen worden aan specifieke bronnen waardoor voor dit aandeel ook geen reductiemogelijkheden kunnen voorzien worden. Dit betekent dat het moeilijk te voorspellen is of de waterkwaliteitsdoelstelling in zijn totaliteit effectief zal bereikt worden. Een antwoord op deze vraag kan mogelijk bekomen worden door de resultaten van de kostenoptimalisatie opnieuw door te rekenen met een waterkwaliteitsmodel. Bij de verdere operationalisering van het model voor Vlaanderen tegen eind 2007 zal bekeken worden hoe de resultaten in het Pegase-model kan ingepast worden.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

De opmaak van de bekkenbeheerplannen en de ervaringen met inspraak  
  K. Gevers
Vlaamse Milieumaatschappij, Dijle-Zennebekken
 

Aan de basis van de (deel)bekkenbeheerplannen ligt het decreet Integraal Waterbeleid uit 2003. Dat legt de contouren vast voor het waterbeleid in Vlaanderen en is ook een vertaling van de Europese kaderrichtlijn Water.

Het bekkenbeheerplan voor het Dijle-Zennebekken heeft tot doel de beleidsvisie op het integrale waterbeleid voor het bekken te ontwikkelen en te beschrijven (cfr. art. 42 §1 van het decreet IWB). Het vormt de leidraad voor de realisatie van een vernieuwd waterbeleid. De Europese Kaderrichtlijn Water, het decreet Integraal Waterbeleid en de Waterbeleidsnota zijn daarvoor belangrijke toetsstenen. Het bekkenbeheerplan is een scharnierdocument. Het vormt een bouwsteen voor de stroomgebiedbeheerplannen en vertaalt de krachtlijnen van de Waterbeleidsnota - waarin de visie van de Vlaamse Regering is vastgelegd - naar de praktijk (via acties en maatregelen). In het bekkenbeheerplan komen vooral de bovenlokale aspecten, meer bepaald de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden van de waterbeheerders van het Vlaamse Gewest aan bod. Het bekkenbeheerplan biedt ook een houvast voor de deelbekkenbeheerplannen. Deze volgen de aanpak en de grote lijnen van het bekkenbeheerplan en verfijnen die verder voor het deelbekken.

Het plan omvat gegevens over de fysische, ruimtelijke, juridische en sectorgebonden aspecten van het bekken en geeft een overzicht van de knelpunten en de mogelijkheden. Het plan is vooral een wetenschappelijk onderbouwde visie op het watersysteem van het bekken die de doelstellingen en maatregelen schetst die nodig zijn om aan die visie invulling te geven. In het deel actie en maatregelen wordt concreet aangegeven hoe in de komende planperiode de vooropgestelde doelstellingen worden gerealiseerd.

Als leidraad voor de plannen bestond een methodiek (uitgewerkt door de afdeling Water van AMINAL) die richtlijnen gaf voor de diverse fasen en hoofdstukken van het bekkenbeheerplan. Men baseerde zich hiervoor op beleidsplannen van andere sectoren en externe studieopdrachten. Drie prioritaire bekkens (Het Netebekken, Denderbekken en Ijzerbekken) fungeerden als pilootprojecten en als toetssteen voor deze methodiek.

Een van de fundamenten in de planvorming was de publieke participatie, zoals formeel opgelegd door de Europese Kaderrichtlijn Water. Binnen de oriëntatiefase werd door de bekkensecretariaten veel energie gestoken in het verzamelen en bundelen van gegevens over het bekken zelf, het watersysteem en de sectoren die in het bekken actief zijn. Een werk dat bestond uit inventarisaties, enquêtes en interviews, waarbij zoveel mogelijk betrokkenen gehoord werden. In de planningsfase werd in verschillende werkgroepen de visie op het watersysteem vorm gegeven. Later werden acties en maatregelen geformuleerd en bepaalde men de functietoekenningen.

De presentatie gaat dieper in op de publieke participatie bij de planopmaak met het niet-prioritaire Dijle-Zennebekken als casus. We wensen een kritische reflectie te geven op het voorbije planproces als leerproces naar de toekomst.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

De werking van de bekkenstructuren  
  B. Abrams
Vlaamse Milieumaatschappij
 

De Europese kaderrichtlijn Water schrijft de lidstaten voor in stroomgebieden te denken. Deze stroomgebiedbenadering vereist een aangepaste werkwijze die rekening houdt met het fysisch systeem, eerder dan met bestaande administratieve grenzen. Naast de planvorming heeft de uitvoering en de opvolging van integraal waterbeleid en -beheer volgens de stroomgebiedbenadering aangepaste structuren nodig. De aanwezigheid van administratieve en bestuurlijke grenzen mag immers geen belemmering zijn om aan integraal waterbeleid te doen.

Het decreet Integraal Waterbeleid en het bijhorende uitvoeringsbesluit van 9 september 2005 geven vorm aan deze nieuwe structuren. Net zoals de waterbeheerplannen zelf situeren de structuren zich op vier niveaus: internationaal stroomgebied(district), Vlaams stroomgebied, het bekkenniveau en het deelbekkenniveau. Ieder niveau heeft haar structuren die er voor moeten zorgen dat alle besturen, maatschappelijke sectoren en doelgroepen binnen een stroomgebied streven naar een gezamenlijke kijk op waterbeheer.

Op het bekkenniveau zijn deze structuren in het najaar van 2006 officieel in het leven geroepen en meteen belast met de belangrijke opdracht om de ontwerp bekken- en deelbekkenbeheerplannen te onderwerpen aan een openbaar onderzoek. De presentatie gaat in op de werking van de (nieuwe) bekkenstructuren en geeft aan hoe getracht wordt om zowel een bestuursniveau- en beleidsdomeinoverschrijdende samenwerking als een maatschappelijke betrokkenheid te realiseren.

De nieuwe structuren vergen inspanningen van alle betrokkenen, dit niet enkel omdat de werking ervan de taken en bevoegdheden van de individuele administraties en besturen overstijgt, maar vooral ook door bijzonder ambitieuze doelstellingen. De werking en invulling van deze nieuwe structuren vormt een grote uitdaging en is essentieel voor het welslagen van een integraal waterbeleid- en beheer volgens de principes van de stroomgebiedbenadering.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Een conceptueel planningsmodel voor integraal waterbeheer  
  J. Staes en P. Meire
Universiteit Antwerpen, Vakgroep Ecosysteembeheer
 

Het waterbeleid doorsnijdt tal van beleidsdomeinen. Dit leidt ertoe dat de beleidskeuzes vaak een uiterst ambivalent karakter hebben. Alhoewel het concept integraal waterbeheer staat voor een holistische benadering, grijpt men in de praktijk vaak terug naar traditioneel waterbeheer, hetzij met aandacht voor andere aspecten. De term integraal waterbeheer wordt dan ook te pas en te onpas gebruikt. Integratie betekent het betrekken van verschillende belanghebbenden, op meerdere schaalniveaus voor het beoordelen van knelpunten en mogelijke oplossingen vanuit verschillende disciplines met behulp van modellen.

Onvoldoende interactie tussen de verschillende beleidsdomeinen leidt tot meerdere, ongekoppelde en incompatibele plannen en planningsprocessen. De uitdaging om expliciete verbanden te leggen tussen disciplines is enorm en maakt dat modellen zich richten op datgene wat gekend (data), voorspelbaar (relaties) en controleerbaar is (beleid). Alhoewel de waarde van wetenschappelijk onderzoek naar watersysteemkennis onmiskenbaar is, zijn de wetenschappelijke succesverhalen niet altijd toepasbaar voor de waterbeheerder. Complexe modellen en concepten worden opgesteld voor situaties met duidelijke probleemstellingen, bestaande participatie structuren, een uitgebreide dataset, jarenlange interdisciplinaire samenwerking en een aanzienlijk budget voor wetenschappelijk onderzoek. Zulke pilootstudies laten ons zien wat mogelijk is, maar is vaak niet toepasbaar voor een globaal bekkenbeheerplan. De toepassing van kwantitatieve modellen wordt bemoeilijkt door de grote heterogeniteit van het Vlaamse landschap, waarin grens tussen stad en platteland vervaagt en natuurlijke processen sterk verstoord zijn.

Een conceptueel planningsmodel biedt een kader waarin men de verschillende aspecten van integratie samenbrengt op een gestructureerde, transparante manier. Het planningsmodel voorziet institutionele en sectorale participatie op verschillende niveaus voor informatieverwerking, knelpuntanalyse en visievorming. Een flexibele en transparante inpassing van wetenschappelijke kennis in verschillende stadia is noodzakelijk.

Om een globaal bekkenbeheerplan te maken, is er tevens nood aan een model dat toelaat om knelpunten, landgebruik, functies, randvoorwaarden en maatregelen te analyseren en te beoordelen vanuit een ruimtelijk perspectief. Een dergelijk kwalitatief model laat toe om de kosten en baten van projecten te beoordelen op verschillende schaalniveaus (benedenstrooms) met expliciete aandacht voor hun omkeerbaarheid, multifunctionaliteit en onzekerheid.

Klik hier voor volledig artikel [hoge resolutie] [lage resolutie]

Visserijbeheerplan voor de Grensmaas en de regio Maasland  
  A. De Vocht(1) en B. Denayer(2)
(1) Centrum voor Milieukunde
(2) Agentschap voor Natuur en Bos
 

Het huidige visserijbebeleid gaat uit van het duurzame gebruik van de visstand binnen het ecologisch functioneren van watersystemen. De onderlinge afstemming van de verschillende gebruiksfuncties (ook andere dan sociaalrecreatieve) worden in deze context meer en meer bij het visstandbeheer betrokken. Het klassieke visstandbeheer ontwikkelt zich steeds meer tot een visserijbeheer met zowel aandacht voor het visstandbeheer als het visserijbeheer. In het voorjaar 2006 werd een eerste visserijbeheerplan opgemaakt. Plaatselijke hengelsportverenigingen en hengelaars hebben constructief meegewerkt aan het opstellen van dit plan. Zij hebben belangrijke informatie over de vroegere en huidige vispopulaties en over de visserij aangereikt. Deze informatie en de nieuwe visie op de ruimtelijke ordening en natuurontwikkeling in de Maasvallei vormen de basis van toekomstige ontsluiting van de regio voor de hengelaar.

De Grensmaas herbergt een voor Vlaanderen specifieke visgemeenschap met belangrijke populaties van barbeel, kopvoorn, winde en sneep. Ook de visfauna in de beken in de Maasregio werd onderzocht. Hierbij werd duidelijk dat een voor vissen optrekbare verbinding met de Maas zeer belangrijk is. De benedenlopen en beekmondingen zijn belangrijk als paai- en opgroeigebied voor jonge vissen uit de Maas.

De Maasregio is voor de openbare visserij zeer belangrijk. Het hoge aantal hengelaars in de bevolking en de grote aantrekkingskracht van de grindplassen op hengelaars van ver buiten deze gemeenten illustreren het uitzonderlijk grote belang van deze regio voor de hengelsport. Voor de bootvisserij is een grote oppervlakte aan bevisbaar water beschikbaar. De vaste stok visser vindt langs de oevers van Maas of grindplassen zijn visstek en voor de vliegvisser biedt de Grensmaas ongeziene mogelijkheden. Een makkelijk vliegviswater is de Grensmaas echter niet maar in de toekomst worden de mogelijkheden beter.

Rekening houdend met de toekomstige ontwikkelingen in de regio zoals de herinrichting van de grindwinningsgebieden en het plan 'Levende Grensmaas' worden in het rapport de mogelijkheden voor het sportvisserijgebruik geoptimaliseerd. Rekening houdend met het profiel van de hengelaar wordt de ontsluiting via de goed bereikbare toeristisch recreatieve knooppunten voorgesteld waarde harde infrastructuur voor hengelsport kan worden aangelegd. Voor de struinende vissers bieden circuits langs de Maas nieuwe perspectieven voor vliegvissers of bevissing met de werphengel.

Een ruim partnerschap tussen de waterbeheerders, het Agentschap voor Natuur en Bos, de lokale overheden, de grindherstructurering, de plaatselijke en regionale vissersverenigingen zal nodig zijn om tot effectieve oplossingen te komen. In het najaar zal het plan aan de gemeentebesturen en plaatselijke hengelsportverenigingen en vissers worden voorgesteld.

Socio-economische en ecologische benadering voor integraal watermanagement in de Merja Zerga lagune (Marokko)  
  M. El Kahloun(1), V. Verhaert(1)+, M. Besri(2), S. Ghazi(2), A. Khattabi(2) en P. Meire(1)
(1) Universiteit Antwerpen
(2) National School for Forest Engineers of Sale, Morocco
 

De "Merja Zerga", Arabisch voor Blauwe Lagune, behoort tot de meest belangrijke RAMSAR-sites in Marokko. Deze lagune wordt gevoed door enerzijds zoet water vanuit de Drader rivier en de drainage kanaal het Nadorkanaal en anderzijds door drainagewater vanuit de omringende landbouwgebieden. Naast de ecologische waarde, heeft de Merja Zerga heeft ook een belangrijke economische waarde, met name voor het toerisme, de landbouw en de visserij. Vanaf 1990 is de landbouw rond de Merja Zerga geïntensiveerd (aardbeienteelt). Hierdoor is de hydrologie (en waterkwaliteit) van de lagune veranderd. Deze studie, ondersteund door de VLIR, heeft als doel het integreren van sociaal-economische en ecologische studies die de basis moeten leggen voor een duurzaam ("sustainable") gebruik van de Merja Zerga.

In dit artikel worden de resultaten gepresenteerd van een eerste meetcampagne. Op basis van deze informatie werd een meetnet uitgewerkt dat als doel heeft de ecohydrologische processen gedegen in beeld te brengen (grond- en oppervlaktewatermetingen). Dit meetnet moet het mogelijk maken om kwantitatieve modellen op te stellen voor o.a. nutriëntenfluxen in de gehele lagune. De ontwikkeling van deze modellen is een essentiële stap voor toekomstige beheersplannen voor dit gebied. Het socio-ecomische luik van deze studie zal zich richten op veranderingen in landgebruik en veranderingen in inkomsten over de afgelopen 15 jaar.

De resultaten laten zien dat er een verschil is in samenstelling van het oppervlaktewater tussen het Nadorkanaal en de Drader waarbij de laatstgenoemde minder nitraat/nitrietconcentratie (NOx-) bevat. Chloride (Cl-) en sulfaat (SO4 2-) waren hoger in het Nadorkanaal. Grondwateronderzoek liet zien dat de bronnen in het zuidelijk deel van de Merja Zerga (grenzend aan het Nadorkanaal) ook hogere nitriet/nitraatconcentraties (NOx-) bevatten. Zware metalenconcentraties waren verwaarloosbaar. Mogelijke reden hiervoor is de afwezigheid van industriële activiteiten in de nabijheid van de lagune.

Deze studie illustreert dat het zwaartepunt van de monitoring vooral moet liggen in de omgeving van het Nadorkanaal. Uiteindelijk zal in dit artikel ook het effect van getijdenwerking op de verkregen resultaten worden bediscussieerd.

Het effect van grondwaterwinning op de ecologische waarde van de Groenvlei en Van Kerselvlei (Zuid-Afrika)  
  M. El Kahloun(1), D. Roobroeck(1), W. Roets(2), L. Brendonck(3), Y. Xu(4) en P. Meire(1)
(1) Universiteit Antwerpen, Ecosystem Management Research Group, Department of Biology
(2) KULeuven, Laboratory of Aquatic Ecology
(3) University of the Western Cape, CapeNature, Aquatic Scientist: Scientific Services Division
(4) Department of Earth Sciences
 

Het waterpeil van veel wetlands in Zuid-Afrika is gekoppeld aan de grondwaterdynamiek van de Tafelbergaquifier. Om inzicht te krijgen in de relatie tussen de vegetatie en het hydrologische regime werd in twee laaglandwetlands; Groenvlei en Van Kerselvlei, een ecohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Uit de compositie van het grondwater bleek dat deze wetlands met elkaar verbonden zijn, in het zuidelijk deel van de Van Kerselvlei werd namelijk nagenoeg dezelfde compositie gemeten als in het oostelijk deel van de Groenvlei. Uit de resultaten bleek ook dat beide wetlands een sterke kweldruk kennen waarbij het grondwater rijk is aan bicarbonaat (HCO3-) en dus een lithotroof karakter kent. Dit geldt met name voor de Van Kerselvlei. Binnen de Grondvlei werd het westelijk deel minder gevoed door lithotroof grondwater en toonde dit meer thalassotroofe (saline) kenmerken.

Ook de vegetatiesamenstelling en nutriëntenconcentratie in de vegetatie indiceerden dat beide valleien onderling verbonden zijn. De lage nutriëntenconcentraties (met name fosfaten) in de Van Kerselvlei is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van een endemische zeggesoort (Carex clavata).

Door de onderlinge relaties tussen de laaglandwetlands zullen lokale waterwinningen elders gevolgen kunnen hebben. Waterwinning in de nabijheid van de Groenvlei zal veranderingen in de hydrologie in de Van Kerselvlei tot gevolg hebben. Hierdoor kunnen waardevolle, endemische soorten worden bedreigd.

Landbouw en natuur: goede buren denken na over water  
  K. Herbos
Haskoning
 

Te Turnhout liggen de ruilverkaveling Merksplas en het natuurinrichtingsproject Turnhouts Vennengebied-West naast elkaar. Het feit, dat een ruilverkavelingsproject en een natuurinrichtingproject aan elkaar grenzen, zorgt voor een knelpunt omdat beide projecten (potentieel) tegenstrijdige doelstellingen hebben. In het ruilverkavelingsgebied wordt namelijk een landbouwkundige optimalisatie van de landbouwpercelen nagestreeft. Dit houdt o.a. een verbetering in van de ontwatering van het gebied. In het Turnhouts Vennengebied daarentegen wordt gestreefd naar natuurherstel, wat meestal gepaard gaat met vernatting.

Om deze twee doelstellingen in evenwicht te houden werd een grondwatermodel opgesteld waarmee verschillende maatregelen in functie van landbouw en ter bescherming van grondwater gebonden natuurwaarden werden gesimuleerd. Hiermee kon de optimale combinatie van landbouw- en natuurgerichte maatregelen worden bepaald. Een zelfde systematiek kan gebruikt worden om een optimalisatie van de waterhuishouding binnen landbouwgebied zelf door te voeren. Bijvoorbeeld in gebieden waar er watertekort is of om tijdelijke droogtes op te vangen kan er aan buffering gedaan worden.

Het ruilverkavelingsblok bestaat voornamelijk uit landbouwgebied, er is slechts sporadisch bebouwing. Kenmerkend voor het gebied is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van grachten met variabele diepte en breedte. Er werd een grondwatermodel opgesteld voor het gebied waarmee een aantal scenario's werden doorgerekend. De verschillende scenario's bestaan uit een aantal maatregelen in het kader van het ruilverkavelingsproject (dempen van grachten, aanleg van nieuwe grachten, wijzigen dieptes van grachten om de afwateringsrichting en debiet te veranderen) en natuurgerichte maatregelen (aanleg van buffers waar grachten worden gedempt, kleischerm, ophoging zodat afwateringsproblemen verdwijnen). Op basis van de effecten van deze verschillende configuraties op de waterstand werd er een afweging gemaakt.

De afweging van de effecten van de verschillende scenario's gebeurde in deze situatie enkel op basis van de grondwaterstanden. Dit kan aangezien de bodemopbouw, grondwaterstand en het landgebruik over het interessegebied zeer uniform waren. Indien dit niet het geval is dient er nog bijkomend bekeken te worden wat specifiek het effect van de grondwaterstandswijziging op landbouw en ecologie is. Een zelfde waterstandswijziging kan namelijk zeer verschillende effecten hebben afhankelijk van de locatie (bv. in een gebied waar de waterstand zich zeer diep onder maaiveld bevindt zal een wijziging in de grondwaterstand waarschijnlijk een veel kleiner effect hebben dan in een gebied waar de grondwaterstand aan maaiveld staat).

Deze effecten kunnen ingeschat worden aan de hand van opbrengstmodellering en vegetatievoorspelling. Een voorbeeld hiervan zal tijdens de presentatie gegeven worden met voor opbrengstmodellering de module waternood en voor vegetatievoorspelling duraveg.

 

Samenstelling redactieraad WATER:

Hoofdredacteur:
Michel Bruyneel

Leden:
Willy Bauwens,
Marcel Bruyndoncx,
Marc Buysse,
Herman Crommelinck,
Lieve De Roeck,
Marie-Paule Devroede,
Heleen Geeraert,
Maarten Goris,
Jan Hammenecker,
Jos Heylen,
Patrick Meire,
Jaak Monbaliu,
Frank Mostaert,
Rik Serruys,
Didier Soens,
Lieve Stoops,
Jan Strubbe,
Paul Thomas,
José Vandevijvere,
Marc Vercruysse en
Louis Wauters

voor dit nummer uitgebreid met P. Meire, themacoördinator van deze studiedag.

 
 
 
 
Abonneer een vriend Stuur mij meer informatie Geen mail meer Abonneer een vriend Ga naar onze website